Elke week 1 verhaal

Verhalen, waar gebeurd of die hadden kunnen gebeuren. Of niet.

Inferno

Ik werd gebeld door mijn broer. De infantiele ringtone van mijn mobiel drukte een zekere urgentie uit in mijn binnenzak. Ik was net bezig om mij door een jungle van openbaarvervoersvertragingen, gemiste aansluitingen, naar hongerklopvoorkomende snacks geurende medepassagiers en tochtige perrons huiswaarts te bewegen na een lange dag tussen Haagse ambtenaren in goed opgestookte Haagse ambtenarenpaleizen. Het was dan ook niet vreemd dat een wat zurige dikke lucht opsteeg vanonder mijn colbert op het moment dat ik het trillende en jengelende apparaat wilde grijpen.

Ik ben nogal onhandig met de nieuwste generatie telefoons. Mijn vingers zijn te vettig of te dik of te ongecontroleerd om een smartphone soepel in de hand te nemen en quasinonchalant te beroeren om hem vervolgens aan mijn oor te leggen voor een gesprek. Daarom hoort de partij aan de andere kant van de lijn, na mij gebeld te hebben, altijd een poosje geluiden als van een instortend flatgebouw of een noeste eik die na driehonderd jaren stil te hebben gestaan besluit met luid gekraak om te vallen en daarbij de hem omringende jongere bomen mee te sleuren. Daarna wordt of de verbinding verbroken of ik slaag erin iets te zeggen, niet zelden in de luidspreker in plaats van de microfoon waardoor mijn stem ver weg en gedempt klinkt.

In dit geval leidde mijn worsteling tot een verbroken verbinding. Ik ben de flauwste niet en bovendien stond ik toch maar te bevriezen op het station van het onvolprezen Tilburg, in afwachting van een trein waarvan de remmen het wel gewoon deden. Dus belde ik Ad (dat is dus mijn broer) even terug. Nou is hij heel handig met mobiele telefoons en dat is tegelijk het enige waar hij heel handig mee is. Het verbaasde me daarom nogal dat ditmaal een gestommel en geraas míjn gehoorgang binnendrong en me even het gevoel gaf dat ik me in één of andere politieserie onder een bovengronds voorbij razende New Yorkse metro bevond. De geluiden werden opgevolgd door een hardgrondig “godverdegloeiendegodver”. Even was het stil: “domme” kwam het van heel diep. Daarna sprak de mij bekende stem, die al zo lang ik leef, met uitzondering waarschijnlijk van de maanden dat ik nog slechts een aan de grillen van mijn moeder overgeleverde zuigeling was, een beroep op mij doet als hij zichzelf weer eens in de nesten heeft gewerkt.

Mijn broer is een goede vent, joviaal in gezelschappen, zeker als hij een paar biertjes op heeft, wat meestal het geval is en zijn buik ook tot indrukwekkende omvang heeft doen toenemen in de jaren dat wij zij aan zij leven. Hij is verzekeringsadviseur, een vak waar hij bijzondere aanleg voor blijkt te hebben getuige het indrukwekkende kapitaal dat hij heeft opgebouwd sinds hij in ‘the business’ zit. De groei van dat kapitaal wordt overigens gesteund door een op zijn minst opvallende vrekkigheid. Zoals in het Handboek Verzekeringsadviseur, of hoe de hogere wet waaraan deze beroepsgroep zich committeert ook moge heten, is bepaald, gaat mijn broer altijd gekleed in een tweedelig donkerblauwe ‘business suit’ (een blauw pak in gewoon Nederlands). Daaronder draagt hij een wit of lichtblauw overhemd met daarop een stropdas waarvan dessin en kleur worden bepaald door de op het moment geldende mode – of liever nog door de mode van net even daarvóór. Bij mijn broer staat de stropdas meestal in vrijwel horizontale positie vanwege de werkelijk steeds immenser wordende buik. Met uitzondering van onze gelaatstrekken en haarkleur (haar dat bij hem als een blonde lauwerkrans op de flanken van zijn glimmende schedeldak groeit en bij mij in met de jaren dunner wordende krullen een nog altijd dichte bedekking van de schedel vormt) zijn wij elkaars tegenpolen. Ik ben een mager ventje dat hoeveel het ook eet en drinkt nooit de omvang van een skelet met vel zal overtreffen, of zoals mijn oma placht te zeggen “’t is gelijk ‘nen lintwurrem mee ‘nen lintwurrem”. Waarmee ze ook fijntjes duidde op mijn lengte, die uitzonderlijk was in onze familie en jarenlang bron was van insinuaties over mogelijke buitenechtelijke uitstapjes van mijn moeder. Mijn broer was en is, zoals ik al aangaf, ronduit dik. Hij leverde heroïsche gevechten tegen zijn overgewicht maar die heeft hij al sinds jaren opgegeven.

Tot zover onze fysiek. We verschillen mogelijk nog sterker in onze sociaal-economische ontwikkeling om al die kleine en grote verschillen tussen ons karakter, interesses en andere bezetenheden maar eens in een abstracte grootheid te vangen. Ad is een handige prater met zakeninstinct dat hij te gelde heeft weten te maken, waardoor hij nu gewoonweg stinkend rijk is en nog rijker wenst te worden, wat hem ook gaat lukken. Hij is niet snel tevreden en zeer ambitieus. Als ik naar mezelf kijk moet ik bekennen dat ik helemaal geen prater ben, dus zeker geen handige en ik heb evenveel zakeninstinct als de uitbater van een schaatsverhuurbedrijf in de Sahara. Ik breng mijn werkende leven door in kantoren. Ooit begon ik als jongste bediende in de postkamer maar met de komst van email voelde ik me  gedwongen mijn blik te verruimen. Inmiddels ben ik een door de wol geverfde ambtenaar die zich bezig houdt met de uitvoering van allerlei beleid, waarmee ik u niet verder zal vermoeien omdat ik dan zelf mijn ogen nauwelijks open kan houden. Toch heb ik niet de ambitie ooit iets anders te gaan doen. Ad is bovendien in tegenstelling tot mij nogal gierig, zoals ik trouwens ook al meldde, ik begin in herhalingen te vervallen dus vooruit met de geit. Hij wil liefst geen geld uitgeven aan dingen die anderen voor hem doen, dus probeert hij mensen gratis voor hem te laten werken of anders verwerft hij zich wel een plekje op de eerste rang tegen betaling van een dubbeltje. Of hij doet het zelf. En juist daarmee begon deze korte geschiedenis. Hij is namelijk heel onhandig. Men zegt wel eens dat iemand twee linkerhanden heeft, maar was dat in het geval van Ad maar zo, dan had hij tenminste nog wat. Nee, alles wat mijn geliefde broer aanraakt met het doel iets fysieks te creëren verandert in een puinhoop en een groot deel van zijn acties die voortkomen uit scheppingsdrang eindigen met medische zorg. Zonder te willen opscheppen kan ik stellen dat ik daarentegen heel handig ben, reden waarom ik vaak zonder tegenprestatie te verwachten de spreekwoordelijke kolen uit het vuur sta te halen voor onze kapitalist, onder het credo ‘daar zijn we toch familie voor’ of ‘dan doet onze ambtenaar ook nog eens wat.’

Zo ook deze keer. Het gestommel en geraas dat uit mijn telefoontoestel galmde werd veroorzaakt door een door hem veroorzaakt inferno in de meterkast, waarnaast hij zich op dat moment bevond. Hij had namelijk de avond tevoren met zijn lieftallige vrouw Philomène bedacht dat het toch wel heel handig zou zijn als er in de meterkast, die behoorlijk ruim bemeten is zijn ruim bemeten villa, een aantal legplankjes zou worden aangebracht om schoenen, mutsen en handschoenen op kwijt te kunnen. Terwijl Philomène door ervaring wijs geworden een klusjesman begon te googlen stond Ad op om zijn gereedschap te gaan zoeken en zelf te beginnen. Want hoewel onhandig, aanpakken kan ie. Gelukkig waren er in zijn gereedschapshok geen plankjes voorhanden die op de bedoelde manier dienst konden doen. Daardoor werd hij gedwongen om een nachtje te bezinnen en Philomène kreeg de gelegenheid om al haar overredingskracht aan te wenden om hem van het onzalige idee af te helpen om zelf te gaan klussen. Tevergeefs, een verspilde nacht kunnen we het wel noemen. Want vroeg in de ochtend reed Ad naar de bouwmarkt en kocht een stapel planken. Het begon er mee dat hij niet had opgemeten hoe groot hij de plankjes wilde hebben, zodat hij thuis met de zaag in de weer moest. Dat ging bijna goed. Pas bij de laatste plank liet hij in een moment van tevredenheid over zichzelf en zwellende trots, de plank onder zijn hand vandaan schieten waardoor de zaag, die in een opwaartse beweging was, zijn been net boven de knieschijf raakte en zijn spijkerbroek openreet. De scheur in zijn broek, met zijn rafelige jeansranden, en het daaronder uiteen wijkende gezaagde vlees van zijn bovenbeen werd direct gevuld met curryrood bloed en leek nog het meest op een frikandel speciaal. Van schrik maakte hij een volgende ongecontroleerde beweging met zijn zaag en haalde zijn duim open. Omdat ik er niet bij was kan ik hier zijn gevloek en getier niet citeren, mocht ik dat willen, want het gewoonlijk in dit soort situaties door hem gebruikte jargon is wat de Amerikanen “explicit lyrics” zouden noemen. Omdat Philomène het huis had verlaten om de op komst zijnde ravage niet onder ogen te hoeven zien of om gewoon thee te drinken met de zich evenzeer vervelende buurvrouw of boodschappen te doen of… Excuses, ik dwaal af, ze was gewoon niet thuis, dus Ad verbond zo goed en zo kwaad dat ging met een gehavende duim, zijn wonden, die gelukkig nogal mee bleken te vallen. Of eigenlijk helaas, want ze belemmerden hem niet om zijn klus weer op te pakken. Had hij dat maar nooit gedaan.

Hij bevestigde beugels met daarop de planken aan de muur in de meterkast, niet met schroeven zoals elk ander zou doen, maar met een paar spijkertjes. Na de onderste en laatste plank te hebben aangebracht deed hij een stap achteruit, keek aandachtig naar het resultaat van zijn werk, constateerde dat de planken mooi recht hingen (dat dan weer wel) en klopte zichzelf op de borst: een meesterwerk, daar zouden ze nog versteld van staan. Wie ‘ze’ waren in zijn gedachten wist hij niet maar dat vroeg hij zich ook niet af. Om zijn vrouw te verassen begon hij het ontstane rek ook maar direct te vullen, van boven naar beneden. Op de bovenste planken de schoenen en laarzen, vervolgens de winterspullen en daarna was de onderste plank nog vrij. Eigenlijk, bedacht onze klusser, was dat een perfecte plek voor het gereedschap. Hij legde de hamer op het plankje en daarna de doos met spijkers. Terwijl hij naar de bijkeuken liep om de rest van zijn gereedschap te halen hoorde hij een harde klap en daarna nog één, gevolgd door een brekend geluid. Toen was het stil. Geschrokken keerde hij op zijn schreden terug, want zijn gevoel zei hem dat het iets met zijn werkzaamheden te maken had. Logisch,  zult u zeggen. U vermoedde dat natuurlijk ook, anders had ik al die dingen allemaal niet zitten te vertellen. En wat denkt u? Inderdaad was de onderste plank, die voor het gereedschap, naar beneden gedonderd. De hamer was gaan schuiven en had de hoofdwaterkraan zo’n opdonder gegeven dat deze niets anders kon doen dan afbreken, met zachtjes druppelend water langs de leidingen tot gevolg. De rechterbeugel waarop de plank had gerust had zich met de punt in de recent vernieuwde digitale elektriciteitsmeter geboord, waardoor het plastic omhulsel mooi symmetrisch in tweeën gebroken was. Tenslotte had de massief multiplex plank zijn volle gewicht, aangevuld met dat van de doos spijkers, gebruikt om de restanten van de meter en nog wat elektriciteitskabels volledig van de muur te rukken. De aanblik van dit slagveld liet mijn broer nog maar één keuze: mij bellen om erger te voorkomen. En terwijl hij mij belde lieten ook de andere planken zich gaan. Schoenen, handschoenen, mutsen, sjaals, oorwarmers en weet ik wat al niet meer, stortten eendrachtig naar beneden om nog meer vernieling te zaaien in de voor even zo mooi opgeruimde meterkast. Dit laatste veroorzaakte het gekraak en geruis door mijn telefoon. En of ik maar even wilde langskomen om een en ander in de oude staat te herstellen. Dat kan ik namelijk.

Maar zoals ik u al meldde en ook tegen mijn broer zei, bevond ik me op dat moment in licht aangevroren vorm op het perron in het bruisende Tilburg. Dat betekende dat het mij minstens een uur zou kosten om de plek des onheils te bereiken. “Godsakke” was daarop Ad’s antwoord. Ik bezwoer hem overal vanaf te blijven en dat ik mijn uiterste best zou doen om zo snel mogelijk bij hem te zijn. Door die mededeling bedaarde hij een beetje en ik hoorde aan de verandering van galm rond zijn stem dat hij zich naar een andere ruimte begaf. “Zo, dan neem ik efkes een pilske” sprak hij , daarmee variërend op de legendarische uitspraak van ons beider oma, die als slotstuk van een twee dagen durende martelende bevalling een tellenlange kreet slaakte, mijn oom naar buiten liet schieten, zich achterover in de kussens liet vallen en sprak “doe me nu maar efkes een pilske.” Ik stelde me voor hoe mijn broer nu met een flesje bier in de hand zijn vette lijf in de comfortabele fauteuil in zijn goed verwarmde huiskamer liet vallen en voelde een steek van jaloezie in mijn buik. Stond ik daar verdomme in de kou met afvriezende vingers. “Zeg” vervolgde hij, “ik heb jou toch laatst verteld over die levensverzekering, je weet wel, met die lage premie en die gigantische uitkering bij overlijden?” Ik zag de omschakeling van onderwerp niet aankomen, dus moest even mijn hersencellen in het gareel brengen om dit te kunnen bijbenen. Hij zat nu op zijn vertrouwde terrein, verzekeringen, waar ik werkelijk niks van af weet. Bij mij is dat via het werk altijd collectief geregeld, zodat ik er maar vanaf ben. “Je weet wel” drukte hij door, “vorig weekend hebben we het erover gehad.” Dat ‘we’ het erover gehad zouden hebben leek me onmogelijk, maar dat ‘hij’ ‘mij’ daarover aan mijn hoofd had zitten zeuren sloot ik niet uit. Sterker, ik herinnerde het me weer, dus ik mompelde ongeïnteresseerd “ja?” Inmiddels zag ik mijn trein komen, stapte in en kreeg de kans om wat op te warmen. “Ik heb die verzekering voor Philomène afgesloten. Als ze nu omvalt heb ik in één klap 5 miljoen in de pocket.” Ik hoorde hem bulderen van het lachen. “Kom op, zeg niet van die rare dingen” antwoorde ik. Mijn schoonzus is me lief, zo’n grapje vond ik ongepast. Terwijl mijn trein zich in gang zetten wijdde Ad me in in de ins and outs van de levensverzekering en hij deed me een aanbod dat ik naar zijn zeggen niet kon laten liggen. Dan was ik een dief van mijn eigen portemonnee en nog wat van die clichés uit het repertoire van de verzekeringsadviseur. “We zien nog wel” zei ik en verzekerde hem nogmaals dat ik zo snel mogelijk naar zijn meterkast zou komen kijken en dat hij vooral overal van af moest blijven. Toen legde ik op.

Had ik hem maar aan de praat gehouden, want een grote tegenstelling tussen hem en mij die ik nog vergeten was te noemen, is dat hij heel erg ongeduldig is en ik hooguit een beetje. Nadat ik had opgelegd en hij zijn flesje bier had leeggedronken, waarschijnlijk gevolgd door een harde boer, want dat doet ie altijd, was hij dan ook teruggelopen naar de meterkast, zo vertelde hij me later. Hij zag er tegenop dat zijn vrouw zo thuis zou komen en hem vanwege de enorme ravage zou bespotten of verwensen, dus begon hij voorzichtig op te ruimen. Eerst alle schoenen, die hij paar voor paar weer terug zette in de garage, waar ze eerst ook stonden. Daarna pulkte hij voorzichtig sjaals, handschoenen en mutsen tussen de wirwar van kabels en splinters uit. Die legde hij terug in de bijkeuken. Daarna viste hij de hamer van onder de kapotte meter en ging op zijn knieën zitten om de spijkers op te rapen, die zich bij duizenden over de vloer van de meterkast hadden verspreid, want ja, de doos was een voordeelbox geweest, met een aantal spijkers dat zelfs een verwoed timmerman in zijn hele leven niet weggetimmerd zou krijgen. Juist op dat moment kwam Philomène binnen en hij hoorde haar smalen of er weer wat mis was gegaan. Doordat de openstaande deur van de meterkast haar blikveld beperkte, kon ze niet zien dat het eruit zag alsof er een bom was ontploft. Na de gemompelde reactie van Ad liep ze door, richting keuken of woonkamer, zo precies weet ik het niet. Ad boog zich weer over zijn spijkers en na een paar honderd te hebben opgeraapt kon hij niet verder omdat de rest onder de resten van de elektriciteitsmeter en het kluwen van kabels en leidingen lag. Hij stond op om het zaakje nog eens te bekijken. Hij pakte een bundeltje van de muur gerukte en gebroken kabels op en hing die over een buis aan de zijwand. Op dat moment kwam ik via de garage binnen en klonk gelijktijdig een kreet uit de keuken die door merg en been ging. Mijn broer en ik keken elkaar aan, hij gelaten en schouderophalend, ik geschrokken. De kreet hield aan en ik rende op het geluid af, het kwam uit de witmarmeren met blinkend RVS afgewerkte keuken en verstomde op het moment dat ik binnenkwam. Ik zag Philomène half staand half hangend staan of liggen, met haar handen om de kraan geklemd, terwijl haar benen schokkende en stampende bewegingen maakten. Ik had geen idee wat er aan de hand was maar in een reflex greep ik haar polsen om haar los te rukken van de kraan en kreeg op hetzelfde moment een oplawaai die me twee meter achteruit blies, tegen het kozijn van de keukendeur op. Ik zag dat Philomène de kraan losgelaten had en was opgehouden met schokken en stampen, toen verloor ik mijn bewustzijn.

Dat was gisteren. Door de kabels even opzij te hangen had mijn handige broer de waterleiding onder krachtstroom gezet. Philomène ligt nu op de intensive care, voorlopig ontsnapt aan de dood maar het is niet uitgesloten dat Magere Hein haar binnenkort toch met bezoekje vereert. Ik heb alleen een bult op mijn achterhoofd en zit hier tegenover mijn broer, die een deuntje blaast op de hals van zijn bierflesje. Hij lijkt niet erg aangedaan en dat ergert me. Ik ben er zelf kapot van. “Wat ben je toch ook een enorme lul, ik had je toch gezegd om overal vanaf te blijven” voeg ik hem voor de zesendertigste keer toe. “Tja, iedereen heeft zijn zwakke kanten” mompelt hij dromerig voor zich uit, “jij kan dat soort dingen, ik ben gewoon goed met verzekeringen.” Even zwijgt hij en ik zie een twinkeling in zijn ogen. “Weet je, die levensverzekering waar we het gisteren over hadden, ik ben blij dat ik dat geregeld heb.”

Thema door Anders Norén