Elke week 1 verhaal

Verhalen, waar gebeurd of die hadden kunnen gebeuren. Of niet.

De verwachting

Het stoplicht stond op rood, de witte strepen van het lege zebrapad blonken in de ochtendzon. “Lood, lood.” “Ja goed zo, dat is rood.” “Lood, lood.” De andere wachtende voetgangers glimlachten. “Lood papa.” “Ja Oskar, het stoplicht is rood,” zei hij terwijl hij zich voorover boog over de kinderwagen en het kind door zijn haren streek. De oudere vrouw naast hem keek vertederd en stootte haar man nauwelijks merkbaar aan. Het gearmd wachtend stelletje armde wat inniger. “Gloen, gloen.” De wachtenden zetten zich in beweging, het zebrapad vulde zich. Ruimte voor de kinderwagen was er niet meer. Na wat gemanoeuvreer over de stoeprand duwde hij de wagen het brede fietspad op en stak over. “Gloen, gloen.” “Ja goed zo Oskar, dat is groen.”

“Jezus man, levensgevaarlijk met dat kind op het fietspad. Onverantwoord! Godverdomme het is met die mannen altijd hetzelfde.” Geschrokken week hij met de kinderwagen naar rechts en raakte daarbij de oudere vrouw tegen haar kuit. De scheldende fietster passeerde hem, “Jij bent echt idioot om je kind aan zulk een gevaar bloot te stellen. Onverantwoordelijke debiel. Eikel!” Behalve de fietsende vrouw was het fietspad leeg. De oudere vrouw keek geruststellend naar hem om. “Fiets, fiets”, zei Oskar.

Het grauw van de avond tevoren, toen ze met haar eenzame glas wijn tevergeefs wachtte op zijn gezelschap, had zich samengebald met de zwartheid van haar nacht. Ze had teveel wijn gedronken, had onrustig geslapen, diep en donker. De dichtheid van haar roes had geen ruimte gelaten voor dromen, wel had een sluimerende onvrede zich in de diepte van haar onderbewustzijn genesteld. Toen ze wakker werd lagen grauw en zwart als één blok op haar gemoed. Naast haar sliep haar man als een blok. Nu was hij er wel, al kon je het geen gezelschap noemen. Zijn mond stond een stukje open, zodat zijn stinkende adem vrijelijk heen en weer kon stromen. Zijn stijve geslacht wees naar haar, maar het maakte geen enkele emotie bij haar los. De eenzaamheid en neerslachtigheid voerden haar mee, ze liep naar de douche en liet het warme water over haar lijf stromen. Ze had hoofdpijn, een kloppende donkergrijze wolk vooraan in haar schedel. Het hete water versnelde het kloppen en liet haar humeur langzaamaan koken. Woedend was ze toen ze zich afdroogde en aankleedde. Met knallende deur verliet ze de slaapkamer. In de keuken dronk ze een glas sinaasappelsap en nog één, waardoor ze wat afkoelde. Toen ze hem boven hoorde stommelen, van bed naar douche, werd ze echter weer kwaad. Avond aan avond was hij weg en zij maar wachten, ze leek wel gek. Ze wilde een kind, dat had ze hem gezegd en hij zei dat ook te willen, maar ze geloofde er niks van, hij zei dat alleen om er van af te zijn. Dacht hij dat ze de Maagd Maria was? Een kind komt er niet zomaar. De laatste weken was hij zo ver weg dat ze niet eens meer zin had om met hem te vrijen. Wilde ze wel een kind van hem? Zo’n vent die telkens weer in de kroeg belandt, die ’s ochtends de mooiste excuses en liefste woorden heeft maar ’s avonds spoorloos is. Een onverantwoordelijke idioot, leuk voor zijn vrienden maar voor haar, ho maar. Het stoom van de grijze wolk kwam inmiddels bijna uit haar oren. Onbewust had ze haar jas aangetrokken en was ze op haar fiets gestapt. Waar ging ze heen? Ze had geen idee, als ze maar niet bij die klootzak in huis hoefde te zijn. Ze reed de straat uit.

Bij het stoplicht was het druk. Haar hart maakte een sprongetje toen ze een kinderstemmetje uit een kinderwagen – niet zo’n trendy ding met zwenkwielen, maar zo’n ouderwetse zware, zo’n heel onhandige – hoorde opklinken. “Gloen, gloen.” Ze reed wat meer naar rechts zodat ze het kind goed zou kunnen zien als ze passeerde. Ineens stak de vader de voorwielen van de kinderwagen het fietspad op. De schrik omklemde haar hart, ze kneep zo hard ze kon in haar remmen en rukte het stuur naar links. Bijna klapte ze tegen de tegels, “Jezus man…”

Thema door Anders Norén