Elke week 1 verhaal

Verhalen, waar gebeurd of die hadden kunnen gebeuren. Of niet.

De wielrenner

Vroeger had hij nog gekoerst als amateur wielrenner. Hij was een van de betere. Dat hij na afloop van de wielerrondes de aantrekkingskracht van de kermissen niet kon weerstaan, had uiteindelijk zijn carrière in de kiem gesmoord. Met zijn bezwete tenue nog aan, liet hij zich daar vollopen en joeg met gokspelletjes alvast zijn nog niet geïnde prijzengeld erdoorheen. Dat alles gehuld in de rookwolken die opkringelden van de peuk zware shag die permanent tussen zijn volle lippen hing. Niet zelden kwam hij na een wedstrijd pas diep in de nacht thuis, met bloedende ellebogen of een blauw oog. Of met een ronde-miss aan de arm, die niet alleen zijn dronkenmansgang ondersteunde maar ook nog bij hem in bed kroop. In de ochtend was er altijd de spijt; platzak, een kater die ’s anderendaags pas wegebde en een vreemde vrouw, meestal meisje in bed, dat bij het ochtendlicht veel van haar glans had verloren. Zolang hij zich elke keer in de top drie reed werd hij door zijn ploeg getolereerd. Dat hij een vriendelijke jongen was, altijd betrokken bij zijn teamgenoten en voorkomend naar de ploegleider, hielp daarbij. Maar de maat was vol toen hij in een maand tijd enkele kostbare racefietsen offerde aan Bachus. In stomdronken toestand ging hij bijvoorbeeld weddenschappen aan. Dat hij ook in het donker het wedstrijdparcours in recordtempo zou kunnen afleggen, om vervolgens met gebogen frame, afgebroken stuur of in de vernieling gedraaide derailleur ergens in een greppel te belanden. Hij werd ontslagen uit de ploeg, vanwege zijn reputatie wilde geen enkele andere ploeg hem hebben, zodat hij noodgedwongen de wielersport de rug toe keerde.

Dat was jaren geleden. De kermissen waren in de tussentijd verworden tot oorverdovende en oogverblindende instant pretparken voor kleine kinderen en hun radeloze, maar hen geen strobreed in de weg leggende ouders. Sinds zijn eigen kinderen dat lawaai ontgroeid waren, was hij daar nooit meer te vinden. Drinken deed hij nu ook veel minder, het roken was gebleven. Fietsen deed hij alleen nog naar zijn werk. 15 Kilometer heen en 15 kilometer terug, lekker langs het water. Weer of geen weer. Niet op zo’n lichtgewicht racefietsje dat hij als coureur had bereden, nee gewoon, op een oerdegelijke bruine herenfiets van Hollandse makelij. Met drie versnellingen en trommelremmen. De benen waren nog goed. Maar hij had nooit meer de aanvechting om zich in een wielerbroek te hijsen en met hoge snelheid fietspaden onveilig te gaan maken. Ze ergerden hem altijd mateloos, de groepen wielrenners, gehuld in schreeuwerige pakjes die om hun te dikke buiken en achtersten spanden. Altijd namen ze teveel ruimte in, ze hielden geen rekening met argeloze medeweggebruikers.

Alleen aan de eenzame renners die dagelijks dezelfde route aflegden als hij beleefde hij lol. Waarschijnlijk waren dit eenlingen die in het weekend in zo’n groep rond jakkerden, maar op werkdagen waren ze alleen. Dan passeerden ze hem, op hun veel te dure racefiets. Met de blik op oneindig, het zweet op de slapen en overspannen kuitspieren kwamen ze voorbij, terwijl ze zich waarschijnlijk op hetzelfde moment inbeeldden dat ze aan kop gingen in een klassieker of een belangrijke touretappe. Als ze dan voor hem reden keek hij even naar hun malende benen en zette aan. Zonder moeite hield hij hen bij. Dan keek zo iemand meestal een paar keer verwonderd om, omdat hij voelde dat er iemand in zijn wiel hing. Harder gingen de benen dan in een vergeefse poging om hem af te schudden. Vaak liet hij dan even een gaatje ontstaan om vervolgens opnieuw aan te zetten. Zijn nog altijd machtige benen lieten zijn zware herenfiets op snelheid komen en zonder de wielrenner in kwestie ook maar een blik waardig te keuren stoof hij er dan langs om hem voor de rest van de route achter zich te laten. En het allerleukst was, om dan even met losse handen naast het slachtoffer te blijven rijden en daar een sigaretje te rollen.

Thema door Anders Norén