Elke week 1 verhaal

Verhalen, waar gebeurd of die hadden kunnen gebeuren. Of niet.

Druk

“Hm, hm”. Het klonk bijna als een kreun. Hij klemde de hoorn tussen zijn linkerwang en linkerschouder, terwijl hij met zijn rechterhand een dampend plastic bekertje aannam van zijn collega. Cappuccino met extra suiker, uit de automaat, eigenlijk een wrang smakend drankje waarvan de nare smaak enigszins verzacht werd door de grote hoeveelheid kristalsuiker. Toch dronk hij er dagelijks negen à tien. Maar nu dacht hij daar niet aan, de aanname van het bekertje was werktuiglijk, waardoor hij de toppen van zijn vingers brandde en slechts met moeite een vloek kon onderdrukken. Blijkbaar merkte zijn gesprekspartner aan de andere kant van de lijn een verandering in zijn ademhaling of aandacht, want hij vroeg of er iets was. Nee er was niets, loog hij. Zijn linkerhand griste een papieren zakdoek uit de bureaula en wreef de ontsnapte druppels van de onderkant van het bekertje. Het telefoongesprek ging maar door, maar hij luisterde niet meer, de woorden dwarrelden uit de hoorn maar bereikten hem niet langer. Hij slaagde er nog net in om op gezette momenten beamende of ontkennende geluiden te maken. Ook zijn koffie aanreikende collega wist geen vat te krijgen op zijn aandacht en vervolgde schouderophalend zijn rondje door de kantoortuin.

Het zweet brak hem inmiddels uit en parelde op zijn voorhoofd terwijl zijn volledige aandacht naar zijn darmen trok. Hij had een enorme drang, al drie kwartier. Net op het moment dat hij uit zijn bureaustoel was opgestaan voor een sanitaire afzondering had de telefoon gerinkeld. Rinkelen is niet het goede woord, dat suggereert een zwart bakelieten toestel met draaischijf, nee eerder tuten of zoemen, die benamingen benaderen beter het geluid dat zijn lichtgewicht telefoontoestel voortbracht. Hoewel mentaal klaar om zich terug te trekken op het toilet had hij toch de telefoon opgenomen en helaas, het was belangrijk en zijn gesprekspartner bleek erg lang van stof.

Hij hield het nu echt niet meer. Elke seconde veranderde hij de positie van zijn billen in de stoel, in de hoop de druk te verlichten. Koortsachtig zochten zijn hersenen het gehele spectrum aan denkbare smoezen en uitvluchten af, op zoek naar een oneliner die hem kon bevrijden: “Wacht, ik moet even dringend ingrijpen hier, ik bel je zo snel mogelijk terug.” Hij schrok er zelf van, maar voordat het goed en wel tot hem doordrong dat hij de monoloog aan de andere kant van de lijn midden in een zin had onderbroken, had hij de klink van de WC-deur al in zijn hand. De hoorn had hij er bruusk opgegooid, zijn vijfde cappuccino stond onaangeroerd op een stapel papier die hij nog moest doornemen. De deur was helaas gesloten en bleef dat. Ondanks zijn paniekerig gesjor aan de aluminium klink. “Effe rustig”, klonk het aan de andere kant van het hout waardoor hij weer wat bij zinnen kwam en de ernaast gelegen deur probeerde. Die was gewoon open, hij stortte zich naar binnen en rukte zijn broek uit. Dit was wat je noemt ‘ontlasting’. Zoals een verhuizer die bovenaan een smalle trap arriveert met een wasmachine steunend op zijn rug – terwijl zijn collega het apparaat slechts in evenwicht houdt en stuurt – zo snel mogelijk bevrijd wil worden van de last, zo wierp hij zijn darmen leeg. Een zacht gekreun kon hij daarbij niet onderdrukken, maar buiten de WC-deur zou dat vast en zeker worden overstemd door het geruis van de kopieermachine die zich op slechts een meter van de ingang van de toiletten bevond. Menigeen had al geklaagd over die locatie. Niet mis te verstane geuren uit zowel heren- als damestoilet confronteerden nietsvermoedende kantoorklerken en secretaressen elke keer opnieuw met de onwelriekende kant van de mens. Ideeën, berekeningen, beleidslijnen en andere producten van het menselijk brein sublimeerden daar zwart op wit, op prachtig gebleekt papier, terwijl op vrijwel dezelfde plek het afval van diezelfde mensen zijn weg naar de afvoer zocht. En erger, de hoge concentratie ozon rond de kopieermachine mengde zich met de anale dampen en gassen tot een weeïge onzichtbare nevel die zich zonder weerstand leek te verspreiden over de kantoortuin. Maar daar dacht hij nu niet aan. Zijn gedachten waren weg, met gesloten ogen had hij zijn blik naar binnen gekeerd. Zijn darmen waren nu leeg, maar leken nog pulserend samen te trekken en zich weer te ontspannen. De sensatie was vrij pijnlijk maar bracht ook een gelukzalig gevoel in zijn maagstreek teweeg. Hij ademde drie keer diep in en uit en opende zijn ogen weer. Een raster van grijs-, wit- en zwarttinten danste voor zijn ogen. Het scheen hem toe dat als hij zijn hand zou uitstrekken hij de ontelbare vierkantjes van één vierkante millimeter met een zwaaiende beweging uiteen zou kunnen drijven. Wonderlijk is dat toch, het menselijk lichaam bezit geen enkele rechte hoek, is overal bochtig en gebogen, evenals de beide oogbollen, maar die registreren bij voorkeur rechte hoeken en lijnen, ook als ze er niet zijn. Hij zwaaide niet met zijn hand, het raster loste vanzelf op in het gele gloeilamplicht. Hij was helemaal rustig geworden, had zich volledig ontspannen, hier op die porseleinen stoel. Waarom wonen mensen in steeds grotere huizen als ze ook in een klein hokje tot zichzelf kunnen komen? Nog een keer zuchtte hij diep en wierp zijn filosofische overwegingen van zich af. Aan het werk.

Hij draaide zich naar de toiletrolhouder en greep instinctief op de juiste hoogte naar het papier. Mis. Geen papier. Nu was het zo’n houder waar zich boven de te gebruiken rol nog een rol bevindt. Iemand met voldoende ruimtelijk inzicht of sanitaire ervaring slaagt er gewoonlijk binnen luttele seconden in de tweede rol vrij te maken, door de lege rol met een gerichte beweging te verwijderen. Ruimtelijk inzicht had hij nauwelijks en ervaring met dit type toiletrolhouders evenmin, maar doorzettingsvermogen bezat hij in overvloed. Vol overgave stortte hij zich op het witte kastje en na enkele minuten morrelen en buigen had hij de lege toiletrol in zijn hand. Voorovergebogen wierp hij van onderop een blik in de opening van de toiletrolhouder om tot zijn schrik te constateren dat zich daar geen tweede rol bevond. Ongerust keek hij de kleine ruimte rond. Geen reserverollen, alleen het kartonnetje dat hij zonet had losgepeuterd. Een hartgrondige vloek kwam in hem op maar hij slikte hem nog net in. Niet afvegen was geen optie, zijn darmen waren echt vreselijk tekeer gegaan en hadden daarbij duidelijk hun sporen achtergelaten op zijn achterste. Hij zou zijn broek kunnen ophijsen om snel even in de ruimte met wasbakken, of het naastgelegen hokje te kijken voor een rol. Ongetwijfeld zou hij daarbij zijn onderbroek bevlekken en hij moest nog driekwart dag hier op kantoor zitten. Vanmiddag had hij zelfs een vergadering. Nee onmogelijk kon hij daar met poepsporen en ongetwijfeld de bijbehorende geur, op zijn gemak gaan zitten overleggen. Zijn zoekende oog viel nogmaals op het kartonnen rolletje. Dat was het, hij hoefde alleen maar het karton los te pulken en de reepjes te gebruiken. Met van opwinding trillende vingers ging hij aan de slag. Helaas bleek het absorberend vermogen van het karton even groot als dat van herfstbladeren, die soms door wandelaars die worden overvallen door een plotselinge aandrang, worden gebruikt bij wijze van WC-papier. Met dat verschil dat herfstbladeren op dergelijke momenten ruimschoots beschikbaar zijn en het WC-rolletje slechts geschikt bleek voor drie keer vegen. Een onbestemd gevoel drukte inmiddels op zijn borst en leek zich als lange smalle vingers rond zijn adamsappel vast te grijpen. Paniek. Wat moest hij nu? Uit de poriën op zijn rug en voorhoofd begonnen zweetdruppels naar buiten te dringen. Gehaast voelde hij in zijn broekzakken naar een oplossing. Een portemonnee, een zakdoek, een mobiele telefoon. Zou hij een collega bellen om een WC-rol te brengen? Ondenkbaar, hij zou lange tijd bespot worden als hij dat deed. En ze zouden het vast en zeker tegen hem gebruiken als er carrièrekansen kwamen. En die kwamen er, daar was hij zeker van. De zakdoek was een veiliger optie. Hij nam de keurig gestreken katoenen lap in zijn rechterhand en keek er dankbaar naar. In sierlijke krullen stonden daar de initialen van zijn grootvader in, ach ja, hij had die zakdoek een keer van hem geleend en nooit teruggegeven. Met weemoed dacht hij aan zijn grootvader, een geweldig mens. En nu, in hoge nood schoot hij hem postuum te hulp via zijn zakdoek. Zonder verder dralen veegde hij zich af, onderwijl wegzinkend in nostalgische gedachten aan zijn opa. Maar meteen schrok hij op van een zacht scheurend geluid. Hij hief zijn hand op en met walging keek hij naar de flinterdunne bruinbevlekte zakdoek die over de lengte met een haarscherpe lijn doormidden was gescheurd. Door de scheur heen staken zijn besmeurde vingertoppen. Niet langer hield hij zijn vloek binnen, hij brulde het bijna uit maar wist het op het laatst te temperen tot een woedend gefluister. Met zijn schone linkerhand begon hij in zijn portemonnee te graaien, een te klein bonnetje, een briefje van twintig en wat muntgeld. Zonder na te denken offerde hij het briefje van twintig op. Maar ook dat was onvoldoende.

Plotseling sloeg zijn paniek om in gelatenheid. Hij liet zich achterover zakken tegen het WC-deksel aan en staarde zuchtend naar een punt vlak voor de punten van zijn schoenen. Wat zou het ook allemaal? Een glimlach krulde om zijn volle lippen en langzaam boog hij zich voorover naar zijn schoenen. Met rustige bewegingen ontwarden zijn vingers de dubbele strik in zijn linkerschoen. Na zijn schoen te hebben uitgetrokken nam hij zijn sok in zijn hand en in één vloeiende beweging bevrijdde hij zichzelf van de viezigheid aan zijn billen. Eén sok was niet genoeg, maar na ook zijn rechter te hebben gebruikt voelde hij zich schoon en bevrijd. Hij trok de WC door en zijn schoenen aan. Hoewel zijn blote voeten in het stugge leer vreemd aanvoelden, voelde hij zich opgelucht en verliet het hokje.

Thema door Anders Norén