Elke week 1 verhaal

Verhalen, waar gebeurd of die hadden kunnen gebeuren. Of niet.

Langs de lijn

Het is koud bij het veld, een gure wind blaast over het gras en neemt handenvol zandkorrels mee in zijn tocht. Het snijdt in het stukje huid dat boven mijn sjaal uitsteekt. Met opgetrokken schouders, de handen diep in mijn zakken en mijn sjaal tot aan mijn neus om mijn gezicht gewikkeld sla ik de wedstrijd gade. Ik sta wat achteraf want voel me niet zo thuis bij de ouders die langs de lijn druk staan te gebaren. De condenswolkjes hangen als tekstballonnen boven hun hoofden. Een vader rent mee langs de lange kant van het veld terwijl zijn zoon met de bal aan de voet twee, drie, vier tegenstanders uitspeelt. Hij schreeuwt aanwijzingen en zwaait woest met zijn armen waar de bal gespeeld moet worden. In de buurt van de hoekvlag staat een tweede vader, gehuld in een enorme wolk van condens en sigarettenrook. Hij wijst met wijs- en middelvinger, daartussen een smeulende sigaret, waar zijn zoon zich moet opstellen om een eventuele tegenaanval af te kunnen slaan. Achter het doel van de tegenstander staat een groepje ouders waarvan enkelen druk in gesprek zijn met elkaar. Met de rug naar het veld. Twee anderen bekijken de wedstrijd door de lens van een videocamera. Ik zie dat ook zij veel lawaai maken, maar ze staan zo ver weg dat ik het niet hoor. De kinderen in het veld lijken onverschillig voor de commando’s. Ze spelen gewoon, doen dat wat ze denken dat nodig is.

Hoe vaak heb ik zelf staan gebaren en roepen naast het veld? Met de beste bedoelingen, hoor. En echt met bruikbare aanwijzingen. Toen ik mijn zoon eens vroeg of hij het handig vond dat ik hem die aanwijzingen gaf, antwoordde hij dat hij nog nooit een aanwijzing van me had gehoord.

Zijn antwoord wierp me terug in mijn herinneringen. Ik stond als kleine man rechtsachter op het voetbalveld. Het was in de E2, meen ik. Ik had de opdracht om rechtsachter te verdedigen en nam dat zeer serieus. Ik stond rechtsachter. De hele wedstrijd. Ik zou er voor zorgen dat niemand over die kant bij onze goal zou komen. Ik verdedigde dat hele stuk veld in mijn eentje. Ook als daar geen bal in de buurt kwam. Al mijn teamgenootjes bewogen zich in een kluwen over het veld. Daar waar de bal was, waren zij. Ik stond rechtsachter. In die tijd waren wij nogal goed ten opzichte van onze tegenstander, zodat het kluwen zich ongeveer de hele wedstrijd voorin bevond. Vanaf mijn positie was dat best ver, bijna honderd meter. Ik had nogal slechte ogen en nog geen bril, dus wat er daar gebeurde kon ik niet goed zien. Maar gelukkig droegen we felgekleurde shirts waardoor ik goed kon inschatten waar mijn teamgenoten en de bal zich bevonden.

Ineens maakte een tegenstander zich los uit het kluwen en stormde richting onze goal. Eerst zag ik de bal niet, maar keek geïnteresseerd naar zijn stormloop. Toen hij voorbij de middellijn was zag ik de bal wel. De speler ging met bal door het midden richting onze eenzame keeper. Ik stond rechtsachter en had in het midden niks te zoeken. Maar in deze situatie zou onze keeper kansloos zijn. Het kluwen hing namelijk nog op de helft van de tegenstander. Na een korte aarzeling trok ik een sprint, dreef de speler naar linksachter en schopte de bal over de zijlijn. Ik vond dat ik dat mooi gedaan had, de keeper vond dat ook riep hij me toe. Ik verwachtte na de wedstrijd een compliment van de trainer, maar het eerste wat me werd toegevoegd door één van de altijd aanwezige ouders, was: “gelukkig riep ik op je, anders hadden jullie een tegengoal gehad.” Ik zei hen niet dat ik hem helemaal niet had horen roepen of dat het helemaal mijn eigen verdienste was. Ik zweeg.

Thema door Anders Norén