Elke week 1 verhaal

Verhalen, waar gebeurd of die hadden kunnen gebeuren. Of niet.

Mijn Ventoux

Nachtmerrie

Eens in de drie à vier weken droom ik dezelfde droom. Vóór me een brokkelig wegdek, wind in mijn oren en een felle zon in mijn ogen. Ik weet niet hoe ik kan stoppen, het gaat door en door, bergaf zonder einde. Mijn snelheid is ongelooflijk en neemt steeds verder toe. Angst grijpt me bij mijn keel. Wat als ik nu val? Wat als ik een klapband krijg? De droom loopt elke keer anders af. Soms val ik en doet mijn schouder pijn, soms rem ik op tijd en soms besef ik ineens dat ik droom. In de ochtenden die op de droom volgen sluimert er altijd een nare herinnering.

Gewoon een berg

Dertien jaar geleden, toen ik in de ijzige septemberkoude boven op de Mont Ventoux stond, dacht ik niet: “deze moet ik op fietsen.” Ik genoot van het uitzicht, maar had het vooral koud en wilde graag weer naar beneden, naar het warme Malaucene dat daar lag te baden in de herfstzon. De reus van de Provence had nooit een speciale aantrekkingskracht op me gehad. Al die jaren dat ik in de Provence kwam vergezelde hij me als achtergronddecoratie en vast en zeker maakte ik ooit een wandeling op zijn flanken. Maar het had geen indruk gemaakt. En natuurlijk, alle Touretappes volgde ik op tv. Maar die keer, dertien jaar geleden, was de eerste keer dat ik op de top stond; een jong gezinnetje met een bibberende peuter en een verkleumde baby.

Onze berg

Elf jaar later stond ik er weer. We kampeerden aan zijn voet en elke ochtend dat ik uit onze tent stapte genoot ik van het uitzicht op de blinkende top. Die top lonkte. Ineens trok de berg me wel aan. Niet in de zin van aantrekkelijk, maar ik moest gewoon naar boven. Eerst eens met de auto. En toen nog een paar keer met de auto. Opnieuw genoot ik van het uitzicht. Maar er was nu nog iets anders dat me roerde: de rust in de vroege ochtend, de sporen van zinloze heroïek die de zwoegende fietsers achterlieten en het telkens veranderende landschap. Ik wilde de berg beter leren kennen. Dat wilde niet zeggen dat ik hem op ging fietsen zoals zo velen. Hoewel fit en vroeger een fervent fietser, was ik niet getraind. Ik had trouwens alleen een te kleine damesfiets bij me, waarmee ik wel een eerste voorzichtige verkenning uitvoerde door van Bedoin naar Sault te fietsen. Dat was een goede les: fietsen was nog geen optie. We gingen dus te voet, vanaf Bedoin door de bossen naar de top; mijn lief en drie kinderen van 13, 11 en 7. Het was zwaar, het was heet, het was moeilijk om de weg te vinden; het was fantastisch. We leerden de Ventoux kennen van een kant die velen niet kennen: een spannende wirwar van paadjes door een soort wildernis. Ondanks dat het fantastisch was gaven we onze tocht op, zo’n 400 meter onder de top. Nog meer stijging werd teveel van het goede voor de kinderen, iedereen was moe en dorstig, onze voorraad eten en drinken was op, het werd laat en ieders humeur begon over te hellen naar de chagrijnige kant. Geleid door hypothesen over een mogelijk doel, die ontsproten aan mijn richtingsgevoel en de verouderde wandelkaart, daalden we langzaam af richting de noordkant. Gelukkig bleken de hypothesen te kloppen en zaten we enkele tientallen minuten later opgelucht etend en drinkend bij Mt. Serein naar de ondergaande zon te kijken.

Daarna voelden ons een soort van eigenaar van de Ventoux. Of andersom, hij had bezit van ons genomen. Het leek alsof de berg geen geheimen meer voor ons had, als een goede kennis. Dat klinkt misschien wat dramatisch, maar het werd gewoon vanzelfsprekend om af en toe naar boven te gaan (met de auto weliswaar) en als we later ergens in de Provence reden en de berg dook in de verte op, was er altijd wel iemand die zei: “hé kijk, de Mont Ventoux.”

De wielrenner

Dat gevoel nestelde zich ergens in mijn onderbewuste. Ik begon weer te fietsen en ging zelfs spinnen in een sportcentrum, een plek die ik eerder altijd angstvallig gemeden had. Langzaamaan raakte ik opnieuw verslaafd aan de racefiets, bijna vijfentwintig jaar nadat ik er de eerste keer van afgekickt was. Maar dit keer was het anders: ik had een doel. Een doel dat ik weliswaar niet uitsprak, zelfs niet tegen mezelf, maar diep in mijn binnenste was dat doel er: mijn Mont Ventoux op fietsen.

In de tussentijd werd mijn vriendin ziek en bleek dat we nooit meer konden gaan kamperen. We waren gewend om in de zomer altijd op de bonnefooi naar het zuiden te rijden in onze oude VW-bus, om dan na vele omzwervingen uiteindelijk in de Provence te belanden. Maar dat was nu voorbij, dus regelden we meer dan een half jaar van tevoren een huisje in Bedoin. Vanaf 13 juli. Enkele weken later bleek dat de Tour de France op 14 juli de Mont Ventoux zou aandoen. Beter kon het niet.

Volgens mij waant elke hobbywielrenner zich zo nu en dan de koploper in een koers, de leider van het peloton of de koning van een berg. Laat ik voor mezelf spreken: als ik op de Keutenberg een paar man achter me laat, waan ik me onverslaanbaar en even bekruipt me dan het gevoel dat ik vijfentwintig jaar geleden had moeten kiezen voor een carrière in het wielrennen in plaats van voor al die andere dingen die ik in mijn leven heb gedaan. Het is altijd maar een glimp van een gevoel, maar soms is het er. Het was er in elk geval toen ik las dat het Tourpeloton vanuit Bedoin naar de top van de kale berg zou racen. Ook ik zou in diezelfde week achteloos naar boven gaan trappen, ik zou mezelf bewijzen dat ik een zelfde prestatie met gemak zou kunnen neerzetten. Niet dat ik werkelijk dacht dat ik even snel als Froome en consorten boven zou geraken, maar het idee, het gevoel, dat ik op ongeveer hetzelfde moment dezelfde route naar boven zou afleggen maakte me even wielrenner. Heel even maar, want ik weet ook wel beter. En trouwens, ik had op dat moment nog niet eens een fatsoenlijke racefiets.

Toen ik die wel had begon ik te trainen. Elke week ruim 100 km op de fiets, veel heuveltjes en bergen, flinke tochten. Ik genoot. En ik werd steeds beter. Tegen de tijd dat het zomer was had ik een topconditie en had ik volledig vertrouwen in mijn eigen kunnen. Dat vertrouwen werd nog groter toen ik begin juli met gemak de Alpe d’Huez opreed, terwijl ik op grote stukken mijn jongste zoon naar boven duwde. Heerlijk was het, bergop fietsen. In mijn verbeelding zou ik in de twee weken dat ik Bedoin zat, minstens een keer of vier, vijf de berg beklimmen.

14 Juillet

Op 13 juli kwamen we in Bedoin aan, samen met duizenden wielertoeristen. Zij stelden zich op langs de lange weg naar boven, wij installeerden ons in ons huisje. Op de ochtend van de veertiende besloten vriend P. en ik om een stuk langs het parcours omhoog te fietsen om naar het wielerpubliek te kijken. Het gaf ons een gevoel dat apen in Artis moeten hebben als ze naar het dierentuinpubliek kijken: het was een feest voor ons oog. We genoten zo erg dat we pas na een kilometer of 12 bedachten dat we alleen maar even kwamen kijken en niet de intentie hadden om helemaal tot boven door te rijden. Opnieuw groeide mijn vertrouwen, die 12 km gingen met gemak.

Teruggekomen in het dorp vertelden we over wat we gezien hadden, de gekte, het plezier, het geweldige publiek. Mijn jongste zoon wilde dat ook wel eens zien, dus opnieuw stapte ik op de fiets. We reden tot net onder St. Estève de berg op. Net als op de Alpe d’Huez oogstte mijn zoon, met zijn kleine frêle lijfje, langs de hele route aanmoedigingen en applaus. “Courage!” “Allez jeune-homme!” hij werd door de Fransen omhoog geschreeuwd. Het gaf hem ook courage, hij danste als een prof naar boven. Zoals gezegd, tot net onder St. Estève. Daar vond hij het wel best. We nestelden ons in de berm en aten wat, samen met wat hartelijke Fransen. Vervolgens reden we door naar St. Estève om te kijken of daar soms een videoscherm stond. Want we wilden aan het eind van de middag wel de finish kunnen zien op tv. Maar in St. Estève stond geen videoscherm. In plaats daarvan stonden er duizenden mensen in de bocht. En toen mijn zoontje door die bocht kwam begonnen die duizenden mensen als uit één keel aanmoedigingen te schreeuwen en te klappen. Het lawaai volgde mijn zoon naar boven, steeds werd het door de volgende groep mensen overgenomen. Hij werd letterlijk door het applaus naar boven gestuwd. Ik zag dat hij bijna niet meer kon, maar zijn beentjes bleven dapper ronddraaien. Even ging ik naast hem fietsen en vroeg hem wat hij van plan was, of we niet naar het dorp terug zouden gaan om de finish straks te kunnen zien? “Maar ik kan het toch niet maken om te stoppen met zo’n publiek” hijgde hij. Na een kilometer vond hij het toch welletjes en draaiden we om. Onderaan de berg kozen we een mooi plekje waar we de wielrenners konden zien passeren en daarna snel bij een tv zouden zijn.

Mijn berg

Twee dagen later was ik zelf aan de beurt. Vriend P. en ik vertrokken in alle vroegte, het zou een warme dag worden. Het dorp was nog doodstil en er waren nauwelijks andere fietsers op de weg. Op ons gemak fietsten we naar boven. Ik vond het op momenten zwaar, maar niet erger dan verwacht. Vóór half negen stonden we op de top; met een beetje geluk zouden de achterblijvers nog liggen te slapen als we terug waren.

2013-07-16-09-00-45

 

De afdaling naar Chalet Reynard ging soepel. Met flinke snelheid rechtuit, beheerst door de bochten, het was heerlijk. Bij Reynard dronken we een paar espresso’s met de warmer wordende zon lekker op mijn bezwete rug, om vervolgens weer af te dalen. Door en door, met de wind in de oren. Wij waren vrijwel de enige dalers, maar in tegengestelde richting werd het steeds drukker naarmate we lager kwamen. We temperden onze snelheid wat en op het stuk in het bos waar een vaal geworden verkeersbord een paar opeenvolgende bochten aankondigde, remden we nog meer bij. Ineens verscheen voor me een andere daler,  die veel langzamer reed dan ik. Ik remde nog wat af en haalde hem in, klaar om de eerste scherpe bocht in te gaan. In de bocht zag ik nog een daler voor me en verder een vrij wegdek. Ik stuurde in een mooie lijn naar rechts. Mijn voorwiel hield die mooie lijn aan, maar mijn achterwiel ging ineens een heel eigen koers; met mijn gewicht probeerde ik de controle terug te krijgen maar wist dat het te laat was. Lekke band. Ik zat al op de linker weghelft en voor me doemde met flinke snelheid de beboste berm op. Wat ik toen deed weet ik niet meer, maar ineens voelde ik dat ik loodrecht in de lucht hing, met mijn hoofd naar beneden. Ik zag mijn voeten boven me uittorenen en voelde toen hoe ik recht op mijn hoofd stuiterde. Mijn helm drukte zich geforceerd een paar centimeter omlaag, maar gaf geen krimp. “Stevig ding, schoot het door me heen.” Ik flikflakte verder en kwam neer op mijn rug. Boven me zag ik de boomtoppen, totdat een schaduw door mijn beeld trok en iets zwaars boven op me landde. Ik sloot mijn ogen en dacht: “pfff, wat was dat?”

Het viel me op hoe stil het was op de flanken van de Ventoux. Alles wat ik hoorde waren krekels. Vlak bij me. Ook het licht was stil, de struiken voor me baadden in sepia. Alles leek perfect. Alleen lag ik niet echt lekker. Alsof een flinke steen in mijn rug drukte. En mijn hoofd deed zeer. Ik had toch niet teveel gedronken gisteren? Ineens werd de stilte verscheurd door een geschrokken stem bij mijn oor: “leef je nog? Zeg wat!” Ach ja, ik was op de Ventoux en ik was gevallen. Ik wist het nu weer. Ik stelde vriend P. gerust en wilde opstaan, maar merkte meteen dat dat niet ging. Er lag iets bovenop me. Het was mijn fiets, of althans dat wat er nog van het frame over was. Het voorwiel ontbrak, de remmen hingen zielig geknakt aan het stuur. Vriend P. pakte het van me af en ik krabbelde overeind. Ik proefde bloed in mijn mond en voelde eraan. Het was afkomstig van mijn voorhoofd en stroomde langs mijn slaap, over mijn wang mijn mond in. Ik schudde mijn benen los; daar leek niks mee aan de hand. Hetzelfde deed ik met mijn armen en toen stierf ik. De pijnscheut die vanuit mijn rechterschouder naar mijn brein en terug schoot was zo heftig en onverwacht dat het zwart werd voor mijn ogen. Mijn Mont Ventoux draaide om me heen, een golf zuur steeg op uit mijn binnenste; ik viel bijna flauw. Net op tijd wist ik te gaan zitten zonder mijn rechterarm te gebruiken. Daar bleef ik zitten totdat vriendin J. me kwam ophalen. Ik zat daar lang genoeg om tot het besef te komen dat ik een gelukkig mens was. Een ware doodsmak op het asfalt van de Ventoux, met alleen een kapotte schouder tot gevolg, wat wil een mens nog meer?

Ventoux, ik kom er aan!

Nu, ruim een half jaar later, kan ik mijn schouder weer gebruiken. Bijna alles kan er mee, de pijn is veel minder. Alleen zo nu en dan een angstige droom resteert. In de kelder hangt een gloednieuwe racefiets te wachten op het einde van het winterseizoen. Tot dat moment zit ik een paar keer per week op de spinningfiets. Het huisje in Bedoin is al geboekt voor de komende zomer.

Thema door Anders Norén