Elke week 1 verhaal

Verhalen, waar gebeurd of die hadden kunnen gebeuren. Of niet.

Naaiatelier

Claus bracht het grootste deel van zijn nog jonge leven door in een naaiatelier. Van half acht ’s ochtends tot zes uur ’s avonds. Hij was de enige man op de werkvloer, enkele sporadische vakantiewerkers daargelaten. Die hielden het meestal niet langer uit dan twee of drie dagen. En natuurlijk waren er kantoormannen die zo nu en dan gespannen hun gecomputeriseerde ruimte uit stormden, het lawaai van de ratelende naaimachines en sissende persen in, om daar verwilderd om zich heen te kijken, zich op iemand af te haasten om vervolgens een commando in haar oor te schreeuwen. Tenslotte had je de vertegenwoordigers die niemand behalve elkaar een blik waardig keurden. Claus wist dat alle naaisters en andere vrouwen in de ruimte over hem spraken. Hij stond de hele dag met zijn rug naar hen toegekeerd. Toch wist hij dat ze het over hem hadden. Hij voelde hun ogen in zijn rug steken. Mét hem spraken ze nauwelijks, alleen zo nu en dan over niet goed gestreken vouwen of kreukels. Hij sprak ook niet met hen. Ze begrepen hem toch niet. In zijn hoofd gebeurde van alles, van het bedenken van grootse toekomstplannen tot het terugkijken op zijn eigen geschiedenis. In hun hoofd werd alleen genaaid. Met confectie of met mannen. Hij was hun prooi, dat voelde hij. In hun gedachten en gesprekken speelden ze de hele dag met hem, maar als ze naar huis gingen lieten ze hem op de grond vallen en lieten hem voor dood achter. Althans, Claus dacht dat dat was wat in hun hoofd omging. Hij zou het niet willen toegeven, maar de gedachte vleide hem en hield hem al strijkend op de been.

De realiteit was helaas anders. De gesprekken gingen vrijwel nooit over Claus. De vrouwen in het atelier vonden Claus zo stil, dat ze hem gewoonweg vergaten. Alleen als hij iets slecht gestreken had herinnerden ze zich dat hij bestond. Of wanneer een nieuwe medewerkster aan de slag ging, begon die nog wel eens per ongeluk tegen hem te praten omdat ze hem zag staan. De gesprekken van de naaisters gingen over andere dingen, over essentiële zaken des levens. Over de dingen die overal in het land, liefst in openbare ruimtes, door het merendeel van de bevolking besproken worden. Als Claus minder met de inhoud van zijn eigen hoofd bezig zou zijn, zou hij op het moment dat we hem daar zien staan de volgende conversatie hebben kunnen horen.

– “En? Genoten van je hele lange weekend?”

– “Heerlijk was het. Vrijdag heb ik zelfs in de tuin in het zonnetje gezeten. Donderdag lekker geshopt, kleren gekocht.”

– “Zo, zo.”

– “Ja, alleen maar koopjes hoor. Ik had in het krantje gezien dat er bij Etam twee broeken voor €45 waren. Dat vind ik niet veel, wel?”

– “Nee, dat is niet veel”.

– “Nou, ik naar Etam. Wat denk je? Ik pas een broek, een beetje bruinachtig, je weet wel zoals dat truitje dat ik voor de zomer had gekocht. En ja hoor, hij zit vrij behoorlijk, best een mooie broek”.

– “En hoeveel kostte één broek”?

– “€33, dus €45 voor twee was echt een koopje. Maar die andere kleuren vond ik niet zo en ik had eigenlijk ook geen broek meer nodig, dus heb ik nog maar een zwarte genomen. Ik heb natuurlijk al een zwarte, je weet wel, die ik vorige winter heb gekocht, maar een extra zwarte broek is altijd handig. Als dan de ene versleten is, kan ik gewoon de ander aan”.

– “Hm, hm”.

– “Daarna ben ik naar zo’n winkeltje geweest waar ik altijd wat koop. Nu heb ik een truitje gekocht. Het is wel iets duurder, maar ja….”

– ”Chique hoor.”

– “Er zat wel vijftien procent korting op. Toen ben ik naar de Hema gelopen voor een paar T-shirts met lange mouwen. Ik wilde iets zandkleurigs, lichtgeels of gebroken-wits.”

– “Mooi”.

– “Dus ik pak drie T-shirts, allemaal afgeprijsd, maar €9,80! Kom ik bij de kassa, gaat er nog wat van af! Voor €7 kon ik ze meenemen. Ik zeg tegen die vrouw, zo krijg ik mijn geld nooit op. Maar ik ben toen toch maar gestopt”.

– “Tja”.

– “Vrijdag ging ik weer naar de stad met die vrouwen. Ik heb gezegd, ik heb al genoeg gekocht. Laat mij de tassen maar dragen. Lachen natuurlijk maar serieus, ik hoefde niks meer, ik kan ook zo wel shoppen, zonder iets te kopen.”

– “Ja, dat is zo”.

– “Dus weer de hele dag winkel in, winkel uit. Leuk joh. Zaterdag niet. Toen heb ik lekker uitgeslapen en wat dingetjes in huis gedaan. Belt mijn zus, of ik mee ga kleren kopen. Ik zeg ik ga wel mee, maar koop niks. Zij helemaal beledigd dat ik al kleren heb gekocht. “Dan ga ik wel niet” zei ze “als jij toch al alles hebt”.”

– “Nou ja”.

– “Maar ik vind het leuk om te gaan ook al hoef ik zelf niks te hebben. Zij vond dat belachelijk en legde de hoorn neer. Zondag belt mijn moeder, wat ik voor de verjaardag van mijn zus doe. Ik vertel haar dat we niet meer aan verjaardagen doen. In plaats daarvan gaan we één keer per jaar samen uit eten met z’n vieren. Is mijn moeder beledigd dat we dat met z’n vieren doen zonder haar! Ze moeten ook allemaal wat te zeuren hebben. De één omdat ik met vriendinnen ga shoppen en niet met haar, de ander omdat zij niet mee uit eten gaat, pff.”

– “Ja, dat klinkt bekend.”

De rest van het gesprek kunnen we niet meer volgen omdat het verstrikt raakt in het rumoer van de naaimachines. Claus keek over zijn schouder naar de twee vrouwen. ‘Ze hebben het weer over me’ dacht hij.

Thema door Anders Norén