Elke week 1 verhaal

Verhalen, waar gebeurd of die hadden kunnen gebeuren. Of niet.

Op weg naar succes

“Pff, wat een dag”. Op het moment dat hij dit verzucht verschijnt een glimlach om zijn lippen. Het klopt dus wat zijn collega’s zeggen, het is zijn meest gebruikte zinnetje. Nou ja, dat zij dan zo. Maar het lijkt nu gerechtvaardigd. 32 °C , terwijl het pas 9.00 uur ’s ochtends is, en een brandende zon op het zilvergrijze dak van zijn auto. De zweetdruppels parelen op zijn voorhoofd en de zweetkringen sieren zijn overhemd. Het was ooit eens fris gestreken, nu oogt het niet meer zo. Ondanks de hitte leunt hij voldaan achterover in de comfortabele autostoel, vrijwel geruisloos zoeft hij voort, de raampjes halfopen. Zijn Nissan Bluebird is dan wel oud, hij zou hem eens moeten vervangen, maar comfortabel is hij wel. Nauwelijks hoorbare motor, elektrische spiegels en ramen, als hij de radio uitzet schuift de antenne vanzelf naar binnen. Alleen geen airco, vandaar de open ramen. Binnenkort moet hij toch eens voor een nieuwe gaan kijken. Straks, als hij zijn slag geslagen heeft, dan kan hij wel eens op pad gaan. Hij weet heus wel dat zijn collega’s hem achter zijn rug uitlachen om zijn auto, zij rijden allemaal in (bijna) nieuwe Jaguars, BMW’s en Audi’s. Hij is gewoon niet zo geïnteresseerd in auto’s en hij voelt zich op zijn gemak in zijn oude, vertrouwde wagen, waarvan zelfs de stoel zich in al die jaren naar zijn postuur heeft gezet. Die collega’s weten trouwens ook dat hij de hoogste scores haalt voor het bedrijf. En zo meteen, dan zal hij de slag van het jaar slaan.

Het betoog dat hij heeft voorbereid is zo ijzersterk dat hij alleen maar kan winnen. En dan. Ja, dan is hij binnen bij de steenrijke familie die hem heeft ingehuurd. Bij hun familiebedrijf liggen nog zoveel klussen, waar hij zich graag op zou storten, dat hij de komende jaren alleen al daarmee zijn eigen salaris plus dat van een aantal collega’s dubbel en dwars zal terugverdienen. Hij verwondert zich er elke keer weer over hoe zulke domme mensen zo’n succesvol bedrijf hebben kunnen opzetten. De vader, de oprichter, heeft de basis gelegd voor het almaar doorgroeiende succes. Tegelijkertijd oogt die het domst van allemaal. Iedereen wijkt wel een beetje af van het gemiddelde, maar deze man bevindt zich echt aan de randen van de Gaussische kromme. Maar hij is altijd een heer. Piekfijn in het pak, schoenen die blinken als spiegels, glad geschoren gezicht en lekker ruikend. De hele familie ziet er altijd keurig uit, trouwens. Om die reden heeft ook hij zich vanochtend in zijn beste pak gestoken en zijn schoenen nog een keer extra gepoetst. De klant is koning en als zij er tiptop uitzien, dan hij ook. Liepen zij de hele dag in overall rond, wat ook had gekund, dan zou hij ook in een werkplunje naar de rechtszaal komen.

Boven zijn hoofd licht ineens “70” op het matrixbord. “Nee,     hè” kreunt hij hardop. Hij moet echt op tijd komen, hij moet de familie eerst nog duidelijke instructies geven en de rechtbank zal niet op hem wachten. Het zweet prikt in zijn rug. Gelukkig is het een wit overhemd, dan zie je die zweetkringen niet zo. De gedachte aan de airco in de rechtszaal stelt hem gerust, dan kan hij zonder nadelige consequenties zijn jasje aanhouden. In de verte knippert het matrixbord op “50”. Hij haalt zijn voet van het gaspedaal en laat zijn Nissan uitrollen tot vlak achter de inmiddels stilstaande voorganger. Doordat het nu windstil is in de auto schiet de temperatuur omhoog. Ongeduldig drukt hij op twee knopjes op het dashboard en de ramen gaan verder open, maar veel effect op de temperatuur heeft het niet. De colonne voor hem komt weer stapvoets op gang om enkele meters verder weer tot stilstand te komen. “Rij nou toch eens door!” De zelfgenoegzame glimlach die zijn gezicht sierde bij de gedachten over zijn aanstaande succes is nu verdwenen en hij slikt een vloek nog net in. Rustig blijven, vermaant hij zichzelf in gedachten, de zitting is te belangrijk om daar opgefokt binnen te komen. En er is nog tijd, zelfs met file komt hij nog op tijd aan. Maar ze rijden niet door, ze staan zoals gewoonlijk kilometers lang gedwee in de rij, auto na auto met verwachtingsvolle bestuurders. Van de nieuwe regering mag je hier binnenkort 130, maar dat is toch wel een utopische tegemoetkoming aan de automobilist. Nog een kilometer of drie, daar splitst zich het verkeer, dan zal er wel weer wat schot in komen. Maar hier gaat het heel langzaam. En wat is het afschuwelijk heet, hij kijkt op het zwartplastieken thermometertje dat bovenop het dashboard is geplakt. Hapsap van Jaffa staat boven de temperatuuraanduiding. 36 ˚C. “Wat een dag.” Hij begint het hem nu toch wel een beetje te knijpen, hij heeft nog een half uur maar het schiet echt niet op. Het instrueren van de familie zal niet meer lukken. Met één hand grabbelt hij in zijn colbert dat op de achterbank ligt en haalt een telefoon tevoorschijn. Hij drukt op de toets voor het adresboek maar moet constateren dat hij niets kan ontcijferen op het schermpje. Mijn leesbril, waar is mijn leesbril? Hij klemt de telefoon tussen zijn kin en schouder en grijpt met zijn hand in het dashboardkastje, daar moet nog een leesbril liggen. Met zijn ogen op de bumper van zijn voorganger gericht, tasten zijn vingers in het kastje. Papiertjes, iets ondefinieerbaar zachts, een kabeltje en ja daar voelt hij het glas van een bril. Hij zet hem op en zoekt het telefoonnummer van de pater familias, hij wacht. “Ja?” klinkt het aan de andere kant van de lijn, hij legt uit dat hij wat vertraagd is maar dat hij wel op tijd zal komen en legt de telefoon schuin voor zich neer, tussen sigarettenas en propjes parkeertickets.

Zonder dat hij het heeft opgemerkt is hij met de stroom mee weer wat harder gaan rijden en ineens rijdt het weer door. Zo gaat hij het wel halen. Schuin voor hem rijdt een vrachtwagen met zand dat continu opdwarrelt en door zijn open raampjes binnen waait. Een stuk rustiger dan daarnet drukt hij de twee knopjes in, om de rechterraampjes dicht te schuiven. Op het moment dat ze bovenaan sluiten, schuiven ze meteen weer open en als ze halverwege zijn gekomen gaan ze weer omhoog. Verbaasd kijkt hij toe. De raampjes gaan als een dolle op en neer nu. Ineens hoort hij het raampje van zijn linker achterportier ook dicht schuiven en voelt hij het raam van het voorportier drukken tegen zijn elleboog, die hij losjes uit het raam heeft hangen. Nu gaan alle vier de ramen op en neer. Lichtelijk in paniek drukt hij een paar keer stevig op de knoppen maar daarmee verandert er niets. Voor hem ziet hij remlichten oplichten en hij trapt zelf ook bruusk op de rem. Het verkeer staat weer stil, maar hij is er nu bijna. Intussen voeren zijn ramen volkomen onafhankelijk van elkaar elk een dans uit, op en neer, op en neer, alsof twee dove en blinde dansparen met elkaar in competitie zijn. “Verdomme”, die vloek kan hij nu niet meer onderdrukken. Hij kan weer een stukje rijden, maar bij het optrekken slaat zijn motor af. “Nee hè!” hij schreeuwt het bijna uit , geeft een kwade ruk aan het stuur en start opnieuw. De motor slaat aan. In zijn linkerooghoek ziet hij dat de antenne inschuift, om meteen weer uit te schuiven. Ze begint spontaan deel te nemen aan de dans van de ramen, net als de verstelbare buitenspiegels, links rechts, links rechts. De chauffeur in de auto naast hem kijkt grijnzend bij hem naar binnen, oef wat krijgt hij het hier warm van. Het zweet loopt nu in sloten langs zijn rug, zo zijn bilnaad in. Nu ja, zo lang de auto nog rijdt is het goed, hij is er nu echt bijna, daar achter nog de hoek om, een stuk rechtdoor om het grasveld heen en dan een parkeerplekje zoeken. Het grasveld ligt er dor bij. Door de trillende lucht boven het beige oppervlak lijkt het alsof de brandende ochtendzon de laatste druppels vocht uit de grassprieten geselt. Opnieuw slaat de motor af. Een grote paniek grijpt nu als een klauw om zijn hart en knijpt het samen. Opnieuw starten lukt, de ramen, spiegels en antenne gaan nu werkelijk als dollemannen tekeer, optrekken, weer slaat de motor af. Nogmaals start hij, maar langzaam doven de lichtjes op het dashboard. Tot drie keer toe draait hij het contact om maar er gebeurt helemaal niets meer. De ramen zijn tot rust gekomen en staan in vier verschillende posities, de antenne is half uitgeschoven en de spiegels staan zo dat hij er helemaal niets meer door kan zien. Hij kijkt op zijn horloge, nog een kwartier. Als hij vanaf hier stevig doorloopt, is hij nog op tijd. Maar hij kan zijn auto toch niet zomaar midden op de weg laten staan. Dan ziet hij rechts van de auto naast hem een parkeerhaventje. Hij springt uit de auto en stormt op de man af die net naar hem zat te grijnzen. “Kunt u me helpen? Ik moet dringend naar een heel belangrijke afspraak. Kunt u me helpen de auto aan de kant te duwen, hij doet niets meer.” De man aarzelt even, zet zijn eigen wagen aan de kant en komt helpen duwen. Drie minuten later, waarin een constant ongeduldig getoeter van medeweggebruikers klinkt, staat de Nissan in het parkeerhaventje. Hij bedankt de grijnzende man, pakt zijn colbert en tas met stukken en slalomt tussen de stilstaande auto’s door.

Aan de overkant gekomen klimt hij over de vangrail en met gevaar voor eigen leven stormt hij over de linker rijbaan, waar wel gewoon wordt doorgereden. Nu is zijn overhemd echt drijfnat op borst en rug. Hij ziet er inmiddels wat verfomfaaid uit, maar dat kan hij wel uitleggen aan zijn cliënt. Na het fietspad wacht het dorre grasveld. Hij laat een fietser passeren en zet het nu op een rennen. Dan maar zweten, als hij maar op tijd is. Dwars over het grasveld is het zo’n vierhonderd meter, daarna hoeft hij echt nog maar twee minuten te lopen. Uit de richting waar hij vandaan komt hoort hij luidt getoeter, hij kijkt om maar ziet niks bijzonders. Hij bevindt zich nu ongeveer halverwege, in de verte ziet hij het zilvergrijze dak van zijn oude vertrouwde Nissan. Die laat hij straks meteen naar de sloop slepen. Hij draait zich weer om, om verder te hollen. Ineens klinkt achter hem een geruis dat steeds dichterbij lijkt te komen. Al hollend kijkt hij achterom en tot zijn schrik ziet hij een gordijn van waterstralen dat zich snel uitbreidt over de hele lengte en breedte van het veld. Het water komt steeds dichterbij, nu pas vallen hem de donkergroene slangen op die in parallelle banen over het gras liggen. Hij zet nog een keer extra aan, voelt zijn te dikke buik hard heen en weer zwaaien, maar het baat niet. De kunstmatige stortbui haalt hem in, hij kan geen kant op, hij staat nu precies in het midden, voor hem begint het ook te sproeien, het is nog slechts een kwestie van seconden of hij wordt nat. In een reflex wikkelt hij zijn papieren in zijn colbert en drukt ze tegen zijn lichaam, hij moet zijn betoog beschermen, daar hangt alles van af. Dan voelt hij de koele druppels neerslaan op zijn oververhitte en doorweekte overhemd, onvermijdelijk, een ramp maar wel koel. Aan de droge overkant van het grasveld brandt de zon heet op zijn overhemd. Het water vermengd met zweet begint direct te verdampen, binnen een paar tellen ruikt hij naar natte hond. Als hij even later, nog steeds volledig doorweekt, het haar plakkend voor zijn ogen en met soppende schoenen bij de rechtbank aankomt ziet hij dat hij nog op tijd is. En dat de pater familias bovenaan het bordes bij de ingang staat te wachten, in een messcherp geperst grijs gestreept pak, met fonkelende zwarte schoenen, als de vleesgeworden hygiëne. Minzaam kijkt hij naar beneden, haalt zijn neus op, keert hem zijn rug toe en loopt naar binnen.

Thema door Anders Norén