Elke week 1 verhaal

Verhalen, waar gebeurd of die hadden kunnen gebeuren. Of niet.

Plato’s grot

“Zou de ontvangst nu goed zijn?” klinkt het vanuit de caravan. Slaperig draait hij zijn hoofd, om de flarden zonnestraal die zich een weg banen door het eikenloof te ontwijken. Zijn onderbenen steken heerlijk warm vanuit de schaduw in de middagzon, als in een voetbad. Nog even genieten, morgen wordt het minder, speelt door zijn hoofd. De warmte trekt vanuit zijn voeten door zijn hele lijf, het hoofd blijft koel. Zachtjes snurkt hij weg, zijn mond lichtjes open zodat hij de geurige voorjaarslucht op zijn tong voelt tintelen. Lavendel, dille, tijm, kamille. Heerlijke geuren, onbekend, nooit heeft hij ze in zijn eten geproefd of zal hij ze proeven. Nee, dan heeft hij toch liever een flink stuk vlees van de grillplaat, royaal bestrooid met peper en zout, een paar tomaatjes en een stuk stokbrood. Dat is leven. Die grillplaat, hij zei het gisteren nog tegen zijn zwager, dat is één van de mooiste uitvindingen van de laatste tien, twintig jaar, geen gedoe meer met kolen en aanmaakblokjes, geen gehannes op die gaspitjes in de caravan, gewoon insteken en gaan met dat vlees. Snurkend probeert hij zich op zijn rechterschouder te draaien, maar zijn beweging wordt gesmoord door de leuning van zijn leunstoel. Hij valt terug op zijn rug en zucht diep. Uit de caravan klinkt een gestommel dat bedoeld lijkt om iets kenbaar te maken. De kledingkastjes, die gewoonlijk zachtjes openen en sluiten, – om het slijtageproces te frustreren en om eventuele buren, die in dit seizoen ontbreken, niet te storen – knallen in hun sponning, niet één keer, maar drie vier keer achter elkaar. Vervolgens bonkende voetstappen, gedempt door de vloerbedekking op de aluminium vloer en gerammel van servies. Het kan de vaat niet zijn, die doen we altijd meteen. Flarden droom verdrijven de dringende geluiden naar een uithoek van het sluimerende bewustzijn, hij slaapt dieper in. Nu kijkt hij TV op een LCD-scherm zo groot als het zwembad van de camping, uit het beeldscherm drijven rubberbootjes op zonnestralen. Een hand neemt ze op, wast ze af en zet ze in de achterbak van een grote glimmende vierwielaangedreven SUV. Hij glimlacht. Hij start de wagen, maar in plaats van een ronkende zescilindermotor hoort hij een sterker wordend gestommel. Hij voelt het gestommel bijna lijfelijk, het bonkt in zijn hoofd, in zijn schouders, het brandt in zijn onderbenen.

“Frans, ik zie weer niets als sneeuw!” Sneeuw, wintersport… koud, schiet het door hem heen en hij schrikt wakker. “Frans, kun je eens komen kijken?” “Wat?” “De antenne, ze staat weer niet goed, ik heb helemaal geen ontvangst, net nu de herhaling van Grey’s Anatomy op TV is, je weet wel, die we gisteravond net hebben gemist.” Klaarwakker is hij nu. “Verdomme, weet je het zeker?” “Ik heb het écht uitgeprobeerd hoor. Zeker, kom maar kijken.” Oogwrijvend verheft hij zich uit zijn stoel, zijn verloren paradijs en loopt achter zijn vrouw aan de caravan in. De aanblik van het televisietoestel vervult hem meteen weer met trots. Hij heeft het ingenieus ingebouwd in wat eerst een kastje was, op een mooi draaiplateautje dat ook nog eens uitgetrokken kan worden zodat je vanuit elke hoek van de caravan kunt kijken. Zijn zwager is er maar wat jaloers op, hij heeft al verschillende keren zitten hinten dat hij ook wel zoiets zou willen hebben, maar daar is hij natuurlijk veel te onhandig voor. Frans wil het best voor hem maken, maar dan moet ie het wel vragen; geen omtrekkende bewegingen, gewoon recht voor zijn raap vragen, dan maakt hij het zo voor hem. Maar tot nu toe heeft hij dat nog niet gedaan. “Kijk dan toch.” Hij schrikt op uit zijn wegdwalende overpeinzingen en ziet wat ze bedoelt. Wit-grijs-zwarte golven doorkruist door monochrome blokjes in verschillende maten schitteren hem tegemoet vergezeld van een oorverdovend geruis. “Zet dat ding dan zacht”, snauwt hij. Na wat gehannes met de afstandsbediening sterft het indringende geluid weg. Wat resteert is de virtuele sneeuwstorm in het voormalige keukenkastje. Hij draait aan wat knoppen en rammelt tevergeefs met wat kabeltjes. “Blijf kijken”. Inwendig vloekend loopt hij naar buiten, naar de schotelantenne die enkele meters verderop staat. Hij had hem nog zo mooi op een open plek neergezet voor een optimale ontvangst. Hij geeft een flinke draai aan de schotel en roept naar zijn vrouw of ze verbetering ziet. “Ik zag wat flitsen meer niet.” Frans geeft een klein zetje tegen de schotel en roept weer. Weer niets. Nog een millimetertje. Tevergeefs. Het wordt uiteindelijk een ware lijdensweg: een klein draaitje aan de schotel, controleren, opnieuw draaien, binnen aan wat knopjes friemelen, terug naar de schotel en opnieuw – in willekeurige volgorde – het proces doorlopen. Maar niets helpt. Was mijn zwager maar hier, denkt Frans, want die weet veel van dit soort dingen, die heeft altijd perfecte ontvangst, waar hij ook is. Vorige vakantie nog, in de Alpen, het lukte niemand om beeld te krijgen maar wel zijn zwager, ongelooflijk. Maar hij is nu een dagje op pad en komt vanavond laat pas terug, dan is het donker en krijgen ze die kloteschotel zeker niet goed.

Na enkele uren, het loopt al tegen vijven zijn ze nog niet verder gekomen dan een heel vaag beeld achter een dikke mist. “Zou je die mensen van de overkant niet eens vragen? Die spreken ook Nederlands en die man lijkt me heel technisch, hij stond eergisteren nog over de motor van hun auto gebogen en na wat sleutelen reed hij zo weg.” “Zou kunnen, maar een antenne is geen auto. Die suffe bak van hun kun je sowieso nauwelijks een auto noemen.” “Je kunt het toch vrágen?” “Dat is waar, maar het lijkt me een beetje raar volk, ze zitten de hele dag te lezen en als ze dat niet doen zijn ze aan het hardlopen of fietsen.” “Daar heb je gelijk in.” “En die kinderen ook, de hele tijd in de bomen klimmen en dan hebben ze van dat wilde haar.” “Maar ja, ze zeggen wel altijd netjes gedag en als ze ons aan goed beeld kunnen helpen dan moeten we de rest maar op de koop toe nemen.” Met lood in zijn badslippers steekt Frans het pad over. De overburen zitten in een huisje, hij is eigenlijk best nieuwsgierig hoe die huisjes er van binnen uit zien. Van buiten lijkt het een beetje een gribus, hun eigen caravan oogt veel luxueuzer, maar die is dan ook top of the bill. Aarzelend klopt hij op de voordeur. Na vijf minuten komt hij terug het pad overgestoken. Zijn vrouw heeft al die tijd vol spanning staan wachten voor de caravan, ze zag hem het huisje binnengaan en probeerde tevergeefs een glimp van het interieur op te vangen. Frans kijkt haar veelbetekenend aan, samen lopen ze de voortent in. “Ze hebben geen TV en hij weet er ook niks van.” Ze slaat haar hand voor de mond. “Nee toch. Geen TV! En ze hebben nog wel een huisje? Wat doen ze dan ’s ochtends en ’s avonds?” “Dat heb ik natuurlijk niet gevraagd, maar ik zei toch dat ze de hele dag zitten te lezen.” “Thuis hebben ze trouwens ook alleen maar een oud ding dat het al vijftien jaar doet en waar ze bijna nooit naar kijken, zei ie.” Ze kijkt hem met grote ogen aan, “Ach, je neemt me in de maling mallerd.” “Nee echt, dat zei hij. Hij zei ook nog dat je enorm veel tijd overhoudt voor leuke dingen als je geen TV kijkt.” “Hou nou op, nu moet je niet doordrammen.” “Dat doe ik niet.” “Kom op Frans, nu begin je me te irriteren, probeer nou maar niet zo grappig te zijn en probeer dat ding aan de praat te krijgen want anders zitten we hier vanavond ook maar wat.”

Frans haalt zijn schouders op en sjokt naar de schotelantenne. Hij is zeker al zeven uur bezig met deze grap. Heel kort kijkt hij nog even over zijn schouder naar de overkant. De overbuurman zit ontspannen onder een boom met een enorm dik boek op zijn schoot. De hele dag lezen, peinst hij, ongelooflijk. Verwonderd draait hij nog eens aan de schotel. Uit de caravan klinkt een luide vreugdekreet. “Hij doet het!”

Thema door Anders Norén