Elke week 1 verhaal

Verhalen, waar gebeurd of die hadden kunnen gebeuren. Of niet.

The Blues (2)

Het was de krant van vrijdagochtend. Hoewel het al jaren geleden is, herinner ik het me als de dag van gisteren. Wij lazen thuis een regionaal dagblad waarin de overvloed aan reclame steunde op een paar schamele nieuwsberichten. Het kostte hooguit acht minuten om van voor- tot achterpagina te lezen en dan alle interessants tot me genomen te hebben. Die vrijdag arriveerde ik zelfs al na zes minuten op de achterpagina. Ik was al half opgestaan om naar school te vertrekken toen mijn nog slaperige blik bleef haken achter een tekstblokje op de pagina. Je kent dat wel, dat je in een flits iets hebt zien staan, maar als je dan beter kijkt, kost het je een hele poos om het terug te vinden. Ik ging weer zitten en zocht wat ik gezien had en, jawel, na een paar tellen vond ik het terug. Rechtsonder op de pagina stond een zwart kolommetje waarin met witte letters de concertagenda voor de komende weken was afgedrukt. Normaal waren er bij ons in de buurt alleen concerten van lokale bandjes of halfvergane Duitse schlagerzangers, niet interessant voor de bluesheld in wording die ik pretendeerde te zijn. Ik sloeg de concertagenda in de krant daarom meestal over. Maar nu had mijn onderbewuste mijn blik toch richting de drukletters gestuurd. Even geloofde ik in een hogere macht, de voorzienigheid of zoiets, die mijn leven een nieuwe wending gaf, maar die fatalistische hypothese liet ik snel los. Mijn vertrouwen ging toch eerder uit naar het toeval.

Nu lijkt het alsof ik daar zat met de krant voor me en dat ik allerlei zijnskwesties de revue liet passeren. Dat is niet waar. Ik was gewoon een veertienjarige, levend bij de dag en de roemruchte toekomst die ik als een zekerheid voor me zag. Ik was onverschillig voor de quasireligieuze bespiegelingen die ik zo-even beschreef. Dat is meer iets dat me nu, in retrospectief, wel aardig leek. In werkelijkheid was er op dat moment slechts plaats voor twee emoties, verbazing en euforie, die geen ruimte lieten voor welke filosofische gedachte dan ook.

“John Mayall” was de naam waar mijn blik achter was blijven haken. John Mayall was mijn held. Als ik toentertijd een plaat opzette, dan was dat in zes van de tien gevallen “The turning point” van John Mayall en in drie van de tien gevallen “Jazz-blues fusion”, “Moving on” of  “A hard road” van John Mayall. De overige tien procent  verdeelde ik over allerlei andere bluesgoden. Ook voor mijn vrienden was John Mayall een held. Dat kwam door de vader van één van hen. Mijn eigen vader had veel platen, variërend van Slim Whitman tot Mozart en van Beethoven tot Nana Mouskouri. Het was een platencollectie die mij gestolen kon worden, graag zelfs. Mijn vriends vader daarentegen had nóg meer platen. En het waren goede platen. Hij was er erg zuinig op, dus we konden het Walhalla alleen betreden als hij aan het werk was, wat gelukkig vaak zo was.

Halverwege de lagere school begonnen we stiekem plaatjes te draaien van bands die we in elk geval van naam kenden. Zo ontdekten we eerst Queen, The Beatles en The Rolling Stones. Wat later kwamen The Kinks en The Who tot ons. Na een tijd durfden we zo nu en dan een plaat aan te zetten van voor ons volstrekt onbekende artiesten. Een hele stoet flower power artiesten, van wie ik de namen inmiddels weer ben vergeten, trok aan ons voorbij. Maar ook Zappa en Captain Beefheart. Dat wat me aansprak kopieerde ik snel, voordat de vader thuis kwam, op een cassettebandje en draaide dat keer op keer op mijn kamertje.

Totdat op een dag, we zaten inmiddels net op de middelbare school, mijn leven veranderde. Met zijn ogen dicht trok mijn vriend een plaat uit het rek. Het was een nietszeggende hoes met een vage korrelige foto op de voorkant en een naam die we niet kenden. Terwijl mijn vriend de LP op de platenspeler legde griste ik de hoes bij hem weg en keek op de achterkant naar de bezetting van de band: gitaren, mondharmonica, bas, drum, dwarsfluit en saxofoon. Veelbelovend. De naald zakte in de groef. Een luid gekraak klonk door de boxen. Ver weg, achter een gordijn van ruis, klonk ineens een stem “where’s the anouncer man?” Een tik, de plaat sloeg even over en toen: kippenvel. Drie keer draaiden we “The turning point”, zowel de A- als de B-kant en we waren er stil van. Ik had geen tijd gehad om hem op cassette te zetten, maar toen ik die avond in bed lag hoorde ik de muziek nog steeds in mijn hoofd. Ik droomde weg met de gedachte dat dat de muziek was die ik zelf zou willen maken.

Op de vrijdagochtend waarover ik vertel was dat inmiddels ruim anderhalf jaar geleden. In de tussentijd had ik een eigen exemplaar van die geweldige plaat en nog een paar andere van John Mayall. Al die platen waren tien tot twintig jaar eerder opgenomen, zodat het me heel wat speurwerk in tweedehandsplatenwinkeltjes had gekost om ze te vinden. De foto’s op de hoezen hadden me altijd de indruk gegeven dat John Mayall ten tijde van de opname al een oude man was en hij oogde allerminst gezond. Zonder er ooit echt over nagedacht te hebben, was ik er voetstoots van uit gegaan dat hij allang dood was, zoals het een blueslegende betaamt. Robert Johnson en Memphis Slim waren immers ook dood. En nu stond in de krant, onze regionale krant, dat hij hier in de buurt zou optreden. De plaats waar dit zou gaan plaatsvinden kende ik niet, maar een blik in de atlas leerde me dat het een dorpje net over de Belgische grens was.

Ik scheurde de concertagenda uit en vertrok in een euforische stemming naar school. Toen ik daar aankwam stonden mijn vrienden op hun vaste plekje op het plein hun laatste sigaretje te roken voor de lessen begonnen. Met een triomfantelijke, lichtelijk manische grijns op mijn gezicht liep ik op hen toe. Ze keken me onderzoekend aan. “Gaat het met je?” vroeg één van hen. “Jongens” antwoordde ik, “John Mayall treedt hier binnenkort op”. Een dramatisch ogenblik wachtte ik voordat ik vervolgde: “stond in de krant”. Luid gejoel en geduw viel me ten deel. Mijn vrienden waren er allemaal van overtuigd dat John Mayall dood en begraven was, dat ik hem eerst zou moeten opgraven, kortom dat ik ze in de maling nam. Terwijl we richting klaslokaal liepen, liet ik ze het stukje krant zien en voordat we op onze stoelen zaten was iedereen ervan overtuigd dat het waar was, wat ik zei en dat we er heen zouden gaan.

Zo kwam het dat enkele weken later vijf jongetjes door een vader naar een onooglijk Belgisch dorpje werden gereden om daar een concert van een bluesman op leeftijd te gaan bezoeken. Het was een warme dag, twee van ons droegen een korte broek en sandalen en we kregen bij aankomst allemaal een ijsje. We spraken af waar we aan het eind van de avond opgehaald zouden worden en werden alleen gelaten. “Misschien speelt Eric Clapton wel mee” zei de één. “Nee joh, natuurlijk niet. Mick Taylor of Peter Green denk ik” reageerde de ander. Ik was veel te zenuwachtig om me in zo’n zinloos gesprek te mengen. Zo meteen zou ik oog in oog staan met mijn held. Zou hij zien dat ik zijn zielsverwant was? Straalde ik al een beetje de blues uit? Ik bekeek mezelf in de reflectie van een winkelruit en zag een broekie met een vale spijkerbroek en een pastelgeel T-shirt met grote Puma-opdruk. Niet echt de blues. Ik boog voorover om mezelf beter te bekijken in het raam. Een paar donzige haartjes gaven goudkleurige schitteringen op mijn bovenlip, mijn huid leek zacht als babybilletjes. “Maar in mijn hart klinkt de blues” fluisterde ik mezelf toe. De lucht die daarbij ontsnapte maakte een condensvlak op het raam. Daarin schreef ik met mijn wijsvinger “John Mayall forever” en liep op een drafje achter mijn vrienden aan.

Het optreden was in een aftands gymzaaltje dat de mythische glans die John Mayall in mijn gedachten had, toch enigszins deed verbleken. Langzaam liep de zaal vol met mannen (vrouwen waren er bijna niet), de meesten ouder dan mijn vader. Gegroefde gezichten, vervaagde tatoeages, grijze paardenstaarten aan kalende hoofden, rook (want dat mocht toen nog in cafés en zaaltjes) en bier. Wij stonden daar met onze cola en sinas en keken een beetje bedremmeld om ons heen. Ik was zo druk bezig met het observeren van de belegen hippies die me omringden dat ik niet zag dat zich een groep muzikanten op het podium verzamelde. Als donderslag bij heldere hemel gingen ze los. Na een minuut of wat tekende zich langzaamaan een melodie af in de warboel van jengelende gitaren, roffelende drums en gierende keyboardtonen. En toen, vanaf de rechterkant, struikelend over een kluwen van kabels die hem de weg versperden op het te kleine podium, kwam hij op. Zijn mondharmonicaklanken doorkliefden de spanning die me al de hele dag in de ban hield. Ik sloot mijn ogen en luisterde aandachtig. Pas na drie nummers keek ik op. Ik zag een man op leeftijd op het podium staan, grijs haar in een paardenstaart. Hij blies zich ongans op zijn mondharmonica om boven de veel te luid afgestelde, scheurende gitaren uit te komen. De microfoon waarin hij zong leek uitgeschakeld te zijn, want zijn stem was nauwelijks hoorbaar.

Hij was mijn held, maar eerlijk is eerlijk, het klonk allemaal erg middelmatig. Opnieuw sloot ik mijn ogen en fantaseerde dat ik in mijn kamertje zat. Ik legde de naald op de plaat, in de groef tussen nummer twee en drie en wachtte. Terwijl de John Mayall van vlees en bloed zich op dertig meter van me vandaan in het zweet stond te werken en “Ramblin on my Mind” in een overmaat aan gitaargeweld verdronk, klonk in mijn hoofd het prachtige “I’m gonna fight for you J.B.” Het lawaai om me heen leek te verstommen en ik was alleen. Alleen met mijn held.

Thema door Anders Norén