Elke week 1 verhaal

Verhalen, waar gebeurd of die hadden kunnen gebeuren. Of niet.

The Blues

De zaal voor me was donker, ik kon het publiek op de eerste rij zien, de rest niet. Het applaus was oorverdovend, ze wilden meer. Een goed moment om wakker te worden, want ons repertoire was nog niet zo uitgebreid dat we een toegift zouden kunnen spelen zonder in herhaling te vervallen. En dus ontwaakte ik, met de roes van succes in mijn buik en de puberale angsten en verwachtingen voor de dag die komen ging in mijn hart. Het was de dag van ons eerste optreden.

Ik was een jaar of dertien en speelde in een beginnend bandje. Mijn bandgenoten en ik waren vastbesloten om een toonaangevende bluesband te worden. Ondanks onze geringe leeftijd, dachten we in het leed dat we in onze jonge levens hadden meegemaakt voldoende voedingsbodem te vinden om oprechte, hartverscheurende blues te spelen. Maar een heimelijke verliefdheid in de brugklas, een te lage leeftijd voor het berijden van een brommer of een verloren voetbalwedstrijd bleken na een tijdje onvoldoende aan te spreken als thematiek voor onze muziek. Vandaar dat ik me elke zaterdagochtend naar de stadsbibliotheek haastte om platen te lenen van J.B. Lenoir, Muddy Waters, Memphis Slim, Howlin’ Wolf, Robert Johnson  en vele andere legendes. Zij zongen de echte blues, over onderwerpen die ik maar half begreep. Maar ze klonken wel lekker. De voltallige band was het erover eens dat we maar moesten beginnen met coveren en dat de eigen nummers op den duur dan wel zouden komen. Zo kon het gebeuren dat wij, twaalf-, dertien- en veertienjarigen drie keer per week over little red roosters, cold blooded women en summertime blues stonden te kwelen. Ik speelde saxofoon en mondharmonica. Maar mijn mondharmonicaspel deed teveel denken aan het geluid dat een gefrustreerde krielhaan voortbrengt, wanneer hij zijn tijd moet doorbrengen in een ren met veel te grote kippen. Op veler verzoek hing ik dat instrument daarom na enkele weken aan de wilgen. Daarna bestond onze bezetting uit drum, gitaar, basgitaar, sax en piano. Omdat we er niet in slaagden een goede zanger of zangeres te vinden, werden de teksten gejengeld door de bassist, de enige die nog niet de baard in de keel had.

Lid zijn van een in de toekomst roemruchte band gaf ons allemaal vleugels. Bewogen we ons eerst schichtig door de gangen van het schoolgebouw, niet erg populair en bang om nog minder populair te worden bij onze leeftijdsgenoten, nu staken we onze borst vooruit. Elke ochtend kozen we zorgvuldig kleren uit die ons een imago van onverschilligheid en weerstand tegen de gevestigde orde zouden verlenen. Zelfbewust stonden we op het schoolplein bij elkaar, de drummer en pianist begonnen te roken en rolden achteloos sjekkies die ze soms zelfs achter hun oor staken. Op onze repetitiedagen sjouwden we onze instrumenten mee naar school en zetten ze op in het oog springende plekken bij elkaar en na een tijdje begon het bij onze medeleerlingen door te dringen: er was een band opgestaan. Nu hadden de meesten van hen nog nooit van blues gehoord, het was in de tijd dat U2, Simple Minds, Michael Jackson en Madonna hoogtij vierden bij het grote publiek, dus velen vonden ons een beetje een obscuur groepje. En dat was precies wat we fijn vonden, het streelde ons ego, wij waren ‘de jongens van die band.’ Meer dan oefenen hadden we trouwens na enkele maanden nog altijd niet gedaan, zodat ons repertoire wel serieuze proporties begon aan te nemen, maar nog niemand ons ooit een akkoord had horen spelen.

Achteraf kan ik niet zeggen dat we erg goed waren, maar we hadden veel plezier en pretenties en dat betaalde zich uit: na bijna een jaar intensief oefenen kregen we op voorspraak van één van onze ouders het verzoek voor ons eerste optreden. Het was wat anders dan de optredens in mijn dromen, die zich steevast afspeelden in grote concertzalen. Maar een optreden om het sinterklaasfeest van de lokale biljartclub op te luisteren was toch een begin. De bedoeling was dat we twee keer twintig minuten zouden optreden, waarvan zeker de helft van de setlist zou bestaan uit Sinterklaasliedjes. Nu schudde ik Sinterklaasliedjes zo uit mijn saxofoon, dus dat was geen probleem, we namen dan wel de vrijheid om ze bluesy te spelen. De overige twintig minuten zouden we vullen met drie vette bluesnummers. We oefenden serieus voor het optreden en na een tijdje klonk het zo goed als je van een groepje enthousiaste tieners mag verwachten.

Op de avond van het optreden stonden we wat weggedrukt in een schemerig hoekje van het rokerige café. Terwijl wij onze versterkers en instrumenten installeerden lieten de biljarters het bier rijkelijk vloeien. Al snel was er een uitgelaten stemming en wij vreesden dat de goedheiligman niet gecharmeerd zou zijn van de schunnigheden die over tafel gingen. Op een seintje van de voorzitter zetten wij ‘Sinterklaasje kom maar binnen met je knecht’ in, gevolgd door een swingvariant van ‘Hoor wie klopt daar kinderen’. Na een minuut of twintig en enkele sinterklaasliedjes ging de cafédeur open en kwamen drie zwarte pieten binnen, gevolgd door de Sint. Onze eerdere vrees bleek onterecht want Sinterklaas was hartstikke dronken en grover gebekt dan alle biljarters bij elkaar. Lallend deelde hij cadeautjes en onversneden seksistische complimenten aan de vrouwen van de biljarters uit. Wij kregen ook een paar vegen uit de pan, ondanks dat we ons hadden verschanst achter onze instrumenten.

Na anderhalf uur waren wij weer aan de beurt. Eigenlijk wilden we beginnen met ‘Fine and Mellow’ van Billie Holiday en lekkere langzame blues, maar de uitgelaten stemming vroeg om wat energiekers. Daarom besloten we ons programma om te draaien en te beginnen met ‘Baby please don’t go’ van Muddy Waters. De eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat er niet naar ons geluisterd werd, hoe we ook ons best deden. Wat we deden klonk niet slecht, maar het voelde niet goed; ik werd bevangen door een soort schaamte. We waren verzeild geraakt in een soort van dronken intimiteit van vreemde mensen die onverschillig waren voor onze muziek. Voor onze ogen voltrok zich een tafereel waarin steeds zatter wordende mannen zich steeds meer opdrongen aan steeds scheller pratende vrouwen. Hun decolletés werden steeds dieper, de mannenogen puilden steeds verder uit, zweetdruppels verschenen aan de uiteinden van snorharen. “…I get you way’d out here …”. Net toen ik wilde aanzetten om mijn sombere gemoed weg te blazen met een saxofoonsolo, werd ik van achteren vastgegrepen. Twee warme borsten drukten in mijn rug. Een met goedkope parfum gemengde bierlucht walmde over mijn schouders tot in mijn neusgaten. De twee handen die om mijn middel waren geslagen, duwden me naar voren, richting het midden van het café. “Speel Sinterklaasliedjes” klonk het. “En dan polonaise”. Mijn vrienden  hoorden haar ook en schakelden direct over naar “Zie ginds komt de stoomboot”. Ik liet me voortdrijven door de harder wordende tepels tussen mijn schouderbladen en blies de melodie. We liepen polonaise tot diep in de nacht.

Thema door Anders Norén