Elke week 1 verhaal

Verhalen, waar gebeurd of die hadden kunnen gebeuren. Of niet.

Vergetelheid

Guy Albèrt had het gevoel dat hij niet opviel, zelfs vergeten werd. Eigenlijk voelde hij dat al sinds zijn geboorte. Hij herinnerde het zich natuurlijk niet, maar toen zijn zus een uur na hem ter wereld kwam, was het grootste deel van de aandacht die tijdens zijn leven aan hem besteed zou worden, al zo goed als op. Natuurlijk, hij werd gevoed, gewassen, verschoond. Maar vaak pas op het moment dat zijn zus al gevoed, gewassen of verschoond was. Dan zag zijn moeder hem, in haar gang naar het ledikantje van zijn zus, ineens liggen. Verwonderd nam ze hem op en deed wat ze moest doen. Niet dat Guy’s uiterlijk zo onopvallend was, integendeel. Was hij als baby al een kolos, nu had hij een lengte van ruim twee meter bereikt. En zijn breedte liep richting één meter. Ondanks zijn omvang vergat men hem in later jaren ook. Een schoolreisje naar Parijs eindigde voor hem na drie dagen in een klein drama. Als zijn zus op de terugweg, toen de bus al bij Brussel reed, niet naar hem had gevraagd, had hij de rest van zijn leven waarschijnlijk in vergetelheid gesleten in de Parijse straten. De chauffeur had echter rechtsomkeert gemaakt en hem enkele uren later aangetroffen op precies de plek waar ze vertrokken waren. Hij was er op tijd geweest, had als laatste willen instappen maar de deur had zich voor zijn neus gesloten. Bij het oplezen van de namen had de docent hem simpelweg overgeslagen. Ook vandaag de dag werd hij constant over het hoofd gezien, vergeten of genegeerd. Na sollicitatiegesprekken kwam het regelmatig voor dat men hem vergat af te wijzen of aan te nemen, men liet hem in restaurants uren wachten of zonder te betalen vertrekken. Wat dan weer een voordeel was.

Nu liep hij vanuit de tram naar zijn kantoor en liet al die gebeurtenissen aan zich voorbij trekken. Hoe meer incidenten boven kwamen drijven uit de krochten van zijn eenzame herinneringen, hoe dieper hij zich in zelfbeklag wentelde. Het gaf hem een onbevredigd maar veilig gevoel. Het was niet zijn schuld, de hele wereld was tegen hem. Neem nou gisteren. Hij bezocht zijn moeder, zoals elke week, samen met zijn zus. Sinds enkele maanden woonde ze in een verpleegkliniek, omdat ze echt niet meer voor zichzelf kon zorgen. Eigenlijk was ze gewoon zo dement als wat, ze had een geheugen vergelijkbaar met dat van een eikenhouten deur. Maar tot nu toe had ze altijd vriendelijk geglimlacht als ze binnen kwamen. Gisteren niet, in plaats daarvan keek ze kwaad naar zijn zus en murmelde iets. Beiden bogen ze zich voorover om haar te kunnen verstaan. Ze hield echter haar van kwijl glanzende onderkaak stijf tegen haar bovenkaak gedrukt en bleef indringend naar zijn zus kijken. Ze deed alsof hij er niet was. Pas toen hijzelf een stap terug deed, wilde ze weer een poging doen om te praten. Hij hoorde slechts gemurmel, maar zijn zus verstond het goed en keek op met een mengeling van pret en verontwaardiging in haar blik. “Wat is er”, vroeg hij. “Ze vraagt wie die vreemde man is die ik bij me heb, ze wil niet dat ik zomaar iedereen hiermee naar toe neem.” Ze draaide zich om naar hun moeder en probeerde haar ervan te overtuigen dat het haar zoon was. Tevergeefs, ze joeg hem de kamer uit met haar priemende blik. Ze was hem definitief vergeten.

Guy Albèrt was zo in zijn overpeinzingen verzonken dat hij bij het binnengaan van het kantoorgebouw niet opmerkte dat de gang bij de receptie vol stond met verhuisdozen. Met naar binnen gekeerde blik stapte hij in de lift, voelde even een zachte tinteling in zijn onderbuik toen deze omhoog trok en zoefde naar de vijfde verdieping. In de spiegelende wand zag hij een man met een alledaags gezicht, een vrij hoog voorhoofd of beter gezegd een kaal hoofd, omzoomd met een kransje bruin-grijs haar. Hij boog wat voorover om zijn spiegelbeeld wat dieper in de ogen te kijken, maar doordat de spiegel eenzelfde lichtbruine schijn had als zijn irissen was de blik troebel en onpeilbaar. Boven zijn hoofd klonk een luid getingel om aan te geven dat de vijfde verdieping was bereikt. Hij liep de lift uit, keek nog eenmaal om naar zijn spiegelbeeld en liep met zijn mijmeringen naar zijn kamer. Die lag schuin tegenover de lift, iets waar hij niet zo heel blij mee was omdat hij telkens gestoord werd door het getingel van de lift. Voordeel was dat er op een werkdag altijd veel mensen langs zijn kamer liepen, waarvan er zo nu en dan eens één bij hem binnen liep om een praatje te maken. Niet vaak, maar vaak genoeg om een licht gevoel van collegialiteit te ervaren. Guy Albert vond dat prettig en liet daarom altijd zijn deur open staan. Natuurlijk met het gevolg dat het geroezemoes vanuit de keuken, waar de koffieautomaat stond en de doorgang naar het toilet was, vrijwel continu zijn kamer binnendrong. Hij was daaraan gewend geraakt, het stoorde hem niet meer.

Nadat hij zijn Kasjmir jas had opgehangen aan de haak achter de deur, liep hij om zijn bureau heen naar zijn stoel en zoals elke ochtend bleef hij een minuutje naar buiten staan kijken voordat hij ging zitten. Vanuit zijn raam zag hij uit op een parkje, waar elke dag  rond deze tijd een paar oudjes met rollators rondscharrelden over de paden en tegelijkertijd een grote groep scholieren met veel lawaai over het grasveld stormde. De bewegingen van oud en jong waren volstrekt willekeurig, alleen de uiteindelijke richting was voorspelbaar, en elke keer leek zich een nieuw patroon van bewegende mensjes af te tekenen. Het fascineerde hem elke ochtend opnieuw. Het verdreef de sombere gedachten over vergetelheid, die hem al de hele ochtend hadden geplaagd. Hij ging zitten en zette zijn computer aan. Toen het opstartgeblaas van diens ventilator was verstomd, viel hem ineens de stilte op. Vanaf de gang kwam geen enkel geluid. Hij hield zijn adem in en liet de stilte op zich inwerken. Alleen het gezoem van een tl-balk die vervangen moest worden kwam via de open deur de kamer binnen, geen enkele stem, voetstap of ruisend kledingstuk. Hij probeerde in te loggen op het netwerk, maar het balkje dat de voortgang aangaf leek op 60% te blijven hangen. ‘Wat zijn we weer traag’, verzuchte hij. Om zijn pc de tijd te geven liep hij naar de deur en stak zijn hoofd de gang in. De stilte verontrustte hem. Er was inderdaad geen mens te bekennen. Vreemd. Zo vroeg was hij er toch ook weer niet. Langzaam liep hij richting keuken, hij voelde de onverklaarbare behoefte om te sluipen, om geen geluid te maken in deze stilte. Als een schim sloop hij het hoekje om naar de koffiemachine, hij bracht onbewust zijn hand in de aanslag om de serie knoppen in te drukken die hem een bekertje machinale cappuccino met weinig suiker zou opleveren. Maar de ruimte was leeg. Waar de koffieautomaat had gestaan zag hij alleen een verlaten stopcontact, een klein hoopje bijna versteende koffiedrab en een in elkaar gedeukt plastic bekertje. Guy Albèrt keek, hij zag het tafereel, maar hij kon geen enkele associatie vinden met welke betekenis dan ook. Waarom zou er in godsnaam geen koffieautomaat zijn op een ochtend als deze, namelijk één als alle andere waar koffie de katalysator vormde voor al die duffe geesten die vanuit hun bed het kantoor betraden? De neiging tot sluipen had hem verlaten, met grote stappen beende hij naar de kamer van de secretaresses om verhaal te halen, maar ook daar trof hij een desolaat tafereel aan. Alle bureaus en kasten waren weg, het enige dat nog aan hen herinnerde waren de afdrukken en kleurverschillen in het lichtbruine tapijt die een tweedimensionale indruk gaven van de voormalige inrichting van de kamer. De lege muren vertoonden donkere randen waar eens gezins- en vakantiefoto’s van de dames hadden gehangen. En opnieuw lege stopcontacten en wat rondzwervende kleinoden zoals een balpen, een verfomfaaid Post-It-velletje, enkele paperclips en het dekseltje van een potje handcrème. Guy Albèrt staarde de leegte in, draaide zich met een ruk om en liep naar de volgende kamer. Daar zag het er hetzelfde uit, in de volgende kamer ook en in die daarna ook. Hij vloog langs alle kamers om te constateren dat zijn collega’s hem verlaten hadden. Even voelde hij zich weer de scholier in Parijs, bevangen door angst en met tientallen onbeantwoorde vragen die door zijn hoofd schoten. ‘Wat is er aan de hand?’ ‘Waarom ben ik hier alleen?’ ‘Is dit een grap?’ Hij haastte zich naar de lift en liet zich daarin naar beneden vallen. Hij had bedacht dat de receptionist hem vast en zeker meer kon vertellen. Het was een aardige man, die altijd om een praatje verlegen zat, dat kon nu van pas komen. Maar de receptionist was er niet en de verhuisdozen die hij bij binnenkomst niet had zien staan, waren inmiddels ook weg. Met lood in zijn schoenen ging hij weer naar boven, nu via de trap zodat hij kon kijken of er op andere verdiepingen nog wel mensen waren. Maar overal was het leeg. Hijgend kwam hij op de vijfde verdieping aan, liep naar zijn kamer en liet zich in zijn stoel ploffen. Hij sloot zijn ogen en keek naar de voorbijrazende patronen die zich aan de binnenkant van zijn oogleden aftekenden. Minutenlang luisterde hij naar zijn ademhaling en liet hij het kloppen van zijn slapen tot zich doordringen. Klop voor klop werd hij rustiger en kwam hij op adem. Hoewel hij geen snars begreep van de situatie, sublimeerde er een conclusie in zijn eenzame geest, namelijk het vaststaande feit dat hij weer vergeten was. Het werd hem langzaam duidelijk, er was een verhuizing geweest, maar niemand had er aan gedacht dat hij, Guy Albèrt, misschien ook ingelicht zou moeten worden. Nee, ze vertrokken gewoon, zonder aan hem te denken, alsof hij niet bestond en nooit bestaan had, alsof hij niet iedere dag daar in dat kantoor zat te zwoegen. Hij opende zijn ogen en keek naar zijn beeldscherm. Nog steeds was hij niet ingelogd, de voortgang hing nu op 80% maar het zag er naar uit dat daar geen verbetering in zou komen. Afwezig draaide hij een paar rondjes op zijn draaistoel. Ineens wist hij wat hij moest doen. Hij greep de telefoon, toetste snel het nummer van het secretariaat in en wachtte. Geen geluid, de lijn was dood. Hij pakte zijn mobiele telefoon uit zijn binnenzak en probeerde het opnieuw. Nu klonk er wel een toon. Na drie keer overgaan klonk er “deze lijn is niet langer in gebruik.” Met een zucht liet hij zich achterover in zijn stoel vallen.

Omdat Guy Albèrt een plichtsgetrouw mens was bleef hij de hele dag op kantoor. Hij keek wat rond, ruimde zijn kast een beetje op, schoof wat met stapels papier en wachtte. Waarop wist hij niet, maar hij wachtte. Zo kroop de dag voorbij. Aan het eind van de werkdag zat Guy Albèrt wezenloos voor zich uit te staren, hij had niks kunnen doen en inmiddels wilde hij ook niks meer doen. Hij was volledig murw, zijn verstand stond op nul en als zijn maag niet was beginnen te rommelen, dan had hij daar waarschijnlijk tot diep in de nacht gezeten. Doordat honger en dorst zich van hem meester maakte ontwaakte hij uit zijn trance en verliet het kantoor. Op weg naar huis begonnen zijn grijze cellen pas weer actief te worden en vroeg hij zich opnieuw af wat er nou eigenlijk aan de hand was. Waar waren zijn collega’s en hoe kon het dat ze hem hadden laten zitten? Thuis gekomen warmde hij even wat eten van de vorige dag op en goot een flesje bier in zijn keelgat. Zo uitgedroogd als een rozijn voelde hij zich. Daarna kroop hij achter zijn laptop en tikte het websiteadres van zijn werk in. “Page not found” prijkte op het scherm. Toen tikte hij in Google zijn eigen naam in, hij had immers een flink aantal publicaties op zijn naam staan, die op de site van zijn organisatie stonden. “No matches found for Guy Albèrt. Check the spelling or try another search.” Guy Albèrt dacht dat hij gek werd. Hij zocht zijn eigen naam regelmatig op via Google, om zichzelf ervan te overtuigen dat hij toch echt bestond, en dan had hij toch altijd wel zo’n honderd treffers. En nu niet één. Was hij dan echt van de aardbodem weg? Om die rare gedachte te verdrijven, kneep hij met beide handen in zijn bovenbenen totdat het pijn deed. Hij stond op en begon te ijsberen door de kamer. Hoe vaker hij heen en weer liep, hoe meer hij de behoefte kreeg om te bewijzen dat hij toch werkelijk bestond. Maar hoe doe je dat? Snel liep hij naar de brievenbus in de hoop daar een aan hem gerichte brief aan te treffen. Hij haalde een stapel ongeadresseerde reclame uit het kastje en begon er doorheen te bladeren. En jawel, midden in de stapel trof hij een bankafschrift aan, dat aan hem gericht was. Met van opwinding trillende vingers rukte hij de enveloppe open en zag dat zijn maandsalaris gewoon was overgemaakt. Helemaal vergeten waren ze hem dus niet, hij zat nog in het systeem, dus hij bestond nog. Het stemde hem hoopvol. Hij liep terug naar zijn laptop en probeerde vlug naar zijn Facebookpagina te surfen. Veel vrienden had hij niet op Facebook, maar wel een paar. Maar tevergeefs, de pagina werd niet gevonden, zijn digitale ik bestond kennelijk niet meer. Opnieuw pakte hij het bankafschrift om zich er van te vergewissen dat hij toch echt bestond. Hij bestudeerde het regel voor regel en ontdekte dat het gedateerd was op meer dan een maand geleden. Opnieuw beving hem de twijfel. Bestond hij nog wel? Hij liep naar de spiegel in de hal en keek naar zijn spiegelbeeld, jawel, dat was er nog. Hij zag er nog net zo uit als gisteren en als vóór het weekend, toen hij nog gewoon in een gevuld kantoor werkte en collega’s had. Ineens had hij er behoefte aan om naar zijn moeder te gaan, haar te overrompelen en dan haar te dwingen hem te herkennen. Hij schoot zijn jas aan en haastte zich de duisternis in, op weg naar het verzorgingstehuis. Wat hij ervan verwachtte wist hij eigenlijk niet, hij bewoog zich in een roes, op jacht naar gerechtigheid en naar erkenning, maar toen hij arriveerde bleek de deur gesloten. Aanbellen en kloppen hielp niet, want de verzorger die de avonddienst draaide, kende of herkende hem niet en wilde hem absoluut niet binnen laten. Zijn zus. Ja, die moest hij zien, zij zou hem nog kennen, zij zou kunnen bevestigen of hij werkelijkheid was of slechts zijn eigen fantasie. Het was inmiddels het over tienen en hij wist dat hij haar de stuipen op het lijf zou jagen als hij nu zou aanbellen, maar het moest, het was overmacht. Hij moest het weten. Als een bezetene joeg hij door de straten en probeerde zo nu en dan een passerende taxi tegen te houden, maar die reden allemaal door alsof ze hem niet zagen staan. Tenslotte kwam hij hijgend en puffend aan bij het woonerf waar zijn zus en haar man woonden. Tot zijn verbazing was het woonerf in licht gedompeld. Zwaailichten verblindden hem met toe- en afnemende intensiteit. Het gaf een sinister contrast met de duisternis die hem tijdens zijn tocht door de stad had omhuld. Geschrokken liep hij het woonerf op en toen hij zag dat er twee ambulances en een politiewagen voor het huis van zijn zus stond, zette hij het op een rennen. Hij duwde een agent op zij en wilde naar de openstaande voordeur stormen, maar werd door twee paar armen bij zijn schouders gegrepen en met kracht tegengehouden. “Waar gaat u naar toe, bent u gek geworden?” “Mijn zus”, stamelde hij en draaide zich om naar de agenten. Hij ving nog net een glimp van haar op toen de deur van de ambulance dichtsloeg, ze was tot aan haar kin toegedekt met een deken, uit haar neus liep een slangetje, haar ogen waren gesloten. Beide ambulances scheurden weg met loeiende sirenes. “Wat is er gebeurd, waar brengen ze haar naar toe?”, jammerde hij.  “We weten het niet, mogelijk een misdrijf” antwoordde één van de agenten koel. De ander legde zijn hand op Guys onderarm en vertelde hem naar welk ziekenhuis zijn zus en zwager waren gebracht en vroeg of hij een lift daar naar toe wilde. Even vergat Guy Albèrt zijn angst om vergeten te zijn. Op de achterbank van de politiewagen was het welzijn van zijn zus het enige dat hem bezig hield. Maar toen hij uitstapte en de koude buitenlucht weer inademde kwam die angst in dubbele omvang weer terug: als zijn zus nu iets zou overkomen, wie zou zich hem dan herinneren? Bij de informatiebalie van het ziekenhuis vroeg hij naar zijn zus, maar ze konden hem niet vertellen waar ze nu was, mogelijk in een operatiekamer. Bovendien, zei de vrouw aan de balie, als ze het wel zou weten zou ze het hem niet zomaar kunnen vertellen. Of hij zich even wilde legitimeren, dan zou ze hem op de hoogte stellen zodra ze iets wist. Guy Albèrt had echter zo gejaagd zijn huis verlaten dat hij zijn mapje met pasjes en ID-kaart op het kastje in de gang had laten liggen. Hij legde de situatie uit, maar de receptioniste hield voet bij stuk: geen legitimatie, dan bestond hij niet voor haar en kreeg hij dus ook geen informatie.

Terneergeslagen liet hij zich op een stalen bankje in de ziekenhuishal vallen. Zijn hersenen stonden niet stil. Moest hij nu naar huis gaan om zijn legitimatie op te halen? En als zijn zus dan in de tussentijd hier langs kwam? Zou ze nog wel bijkomen, zou ze wel te redden zijn? In de glimp die hij van haar had opgevangen zag ze er wel heel beroerd uit. Wie was hij nu nog? Zijn werk was bij hem weggelopen, zijn moeder kende hem niet meer. Vrienden had hij niet en zijn laatste strohalm, zijn zus, leek op sterven na dood en was onbereikbaar. Hij keek om zich heen, de schitterend witte ziekenhuishal in. Wat een contrast met de ellende die zich hier afspeelde. Zijn blik ging langs de open stalen trappen omhoog, verdieping na verdieping en nergens registreerde hij een smetje op het intense wit. Langzaam tilde hij zijn kolossale lijf van het bankje en liep in de richting van de trap. Stapje voor stapje ging hij naar boven, waar naar toe wist hij niet, hij was het zich eigenlijk nauwelijks bewust. Uiteindelijk stond hij op de bovenste, twaalfde, verdieping, met zijn handen op de balustrade en keek naar beneden naar de schitterend witte vloer. Hij dacht aan Herman Brood die met een sprong van het dak van het Hilton zijn onvergetelijke leven een onvergetelijk eind had gegeven. Als in een visioen zag hij een grote rode vlek onder op de vloer en allemaal mensen die er omheen stonden, mensen die uit de verschillende gangen toesnelden om te kijken, om naar hem, die altijd vergeten werd, te kijken. Nooit meer zouden ze het beeld van dat uiteengespatte lichaam vergeten. Zijn hart begon er sneller van te kloppen, nooit meer vergeten worden, dat was wat hij wilde. Nu. Voor hij zichzelf in de hand zou hebben kunnen krijgen was hij al onderweg. Met een voor zijn doen zwierige beweging was hij over de balustrade gestapt en viel en terwijl hij viel zag hij zijn moeder, die vriendelijk naar hem lachte en zei “dag Guy van me”, hij zag zijn zus die naar hem zwaaide en vroeg “zorg je voor me nu mijn man er niet meer is?”, zijn collega’s trokken aan hem voorbij en excuseerden zich, ze zeiden dat ze het zo vervelend voor hem vonden dat hij het memo over het hoofd had gezien waarop de details van de verhuizing werden toegelicht, hij zag de receptioniste op hem af rennen, haar handen in de lucht alsof ze hem wilde opvangen, haar lippen bewogen zonder geluid maar hij las er op af dat hij ook wel zonder legitimatie mocht doorlopen en hij viel. Eindeloos viel hij en dacht ‘ik zal nu toch wel dood zijn, maar ik heb nog geen klap gevoeld.’

Op dat moment kwam hij met een plof neer op een net, dat vlak boven de tweede verdieping was gespannen, hij veerde nog een paar keer op en neer en lag toen stil. Nog lange tijd bleef hij stil liggen en genoot van het rumoer dat onder hem aanzwol.

Thema door Anders Norén